Toggle navigation

Hulpaanbieders hebben allen een verantwoordelijkheid in het omgaan met verontrusting. Indien zij hier zelf tegen grenzen aanbotsen en twijfelen of vrijwillige hulpverlening nog mogelijk is, kunnen zij beroep doen op een gemandateerde voorziening: het vertrouwenscentrum kindermishandeling (VK) en het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ). 

Het OCJ onderzoekt of het in verontrustende situaties noodzakelijk is om van overheidswege hulp op te starten of verder te zetten (mandaat maatschappelijke noodzaak). Het heeft verschillende taken:

  • Consult bieden aan hulpverleners die vastlopen in een verontrustende situatie maar hier zelf nog verder in aan de slag willen gaan;
  • Onderzoeken of het  een maatschappelijke noodzaak is om tussen te komen in situaties van verontrusting (caseonderzoek);
  • Het opvolgen van een verontrustende situatie in geval van maatschappelijke noodzaak en het installeren van hulpverlening (casemanagement);
  • Indien nodig doorverwijzen naar het Openbaar Ministerie voor gerechtelijke jeugdhulp.

Vanuit hun specifieke maatschappelijk mandaat gaan consulenten OCJ tot het uiterste om samen met jongeren, ouders en hun netwerk, en al dan niet professionele hulp, mee hoop te creëren voor de toekomst opdat kinderen en jongeren veilig zouden kunnen opgroeien. Om een verschil te maken in situaties van verontrusting zet men in op relaties aangaan, niet alleen met de cliënt en zijn of haar netwerk, maar ook met hulpverlenende partners. Bijkomend vraagt de positie van de consulent de veiligheid centraal te zetten. Signs of Safety is een oplossings- en krachtgerichte benadering die tegelijkertijd  verbinding toe laat, vanuit de krachten van het netwerk te werken én steeds de focus op de veiligheid van het kind te houden.  Daarom werd in 2015 de keuze gemaakt door de afdeling OSD  hier verder op in te zetten en een implementatietraject Signs of Safety op te zetten.

Consult OCJ

Jeugdhulpaanbieders kunnen terecht bij het OCJ met een consultvraag. De consultfunctie is erop gericht om de verontrusting  helder te krijgen en pistes aan te reiken die de horizon van de consultvrager kunnen verbreden, zodat de consultvrager weer openingen en opties ziet om verder aan de slag te gaan. Het ‘eigenaarschap’ blijft bij de consultvrager.

In 2015 worden in totaal 1.710 consultvragen gesteld. Meestal gaat het over een bespreking van een concrete situatie waarover men verontrust is.

Tabel: Soort consultvraag per consultteam
Soort vraag  Antwerpen  Limburg  Oost-Vlaanderen  Vlaams-Brabant-Brussel  West-Vlaanderen Totaal %
Algemeen advies 12 13 11 3 10 49 2,9
Bespreking concrete situatie 392 331 170 326 260 1479 86,5
Informatie 33 19 48 43 39 182 10,6
Totaal 437 363 229 372 309 1710 100,0
% 25,6 21,2 13,4 21,8 18,1 100,0  

Maatschappelijke noodzaak

Een aanmelding bij het OCJ is een (schriftelijk) contact met het oog op het laten onderzoeken van de maatschappelijke noodzaak tot hulpverlening, die vertrekt vanuit een verontrusting over de ontplooiingskansen van de minderjarige.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal unieke aanmeldingen bij de OCJ  in 2015. Een unieke aanmelding staat voor 1 procedure maatschappelijke noodzaak (mano). Indien een jongere meerdere keren wordt aangemeld voor onderzoek mano, worden meerdere procedures opgestart en meerdere geteld. Wanneer er verschillende meldingen voor een jongere binnen één procedure zijn, dan worden deze hier niet geteld. In totaal zijn er 4.275 aanmeldingen. Het aantal unieke minderjarigen bedraagt 4.221, dus los van het aantal aanmeldingen voor deze jongere.  

Tabel: Aantal unieke aanmeldingen OCJ, per regio
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West-Vlaanderen Totaal aantal aanmeldingen %
0-5 jarigen 327 191 258 127 287 1.190 27,8
6-11 jarigen 300 204 254 143 256 1.157 27,1
12-17 jarigen 464 335 431 281 415 1.926 45,1
18-21 jarigen 0 0 0 1 1 2 0,0
Totaal 1.091 730 943 552 959 4.275 100,0
% 25,5 17,1 22,1 12,9 22,4 100,0  

De meeste aanmeldingen gebeuren in Antwerpen, gevolgd door West- en Oost-Vlaanderen. 55% van de minderjarigen is -12 jaar bij de aanmelding.

Aanmelden bij het OCJ:
  • Een partner in de integrale jeugdhulp meldt een minderjarige aan via een motivatie-document (M-doc);
  • Iemand van buiten integrale jeugdhulp meldt telefonisch of schriftelijk aan;
  • Een cliëntsysteem kan zich ook zelf aanmelden.

In beide laatste gevallen is er een korte vraagverheldering om uit te maken of het nodig is een  onderzoek naar mano te starten of niet.

In alle regio’s is het Parket de grootste aanmelder. Daarnaast vinden vooral de CLB de weg naar het OCJ om verontrustende situaties aan te melden. Ook voorzieningen Jongerenwelzijn kennen de weg. Jongeren en gezinnen melden ook zichzelf aan (6,3%).

Aanmeldingen OCJ en SDJ verwijzen naar aanmeldingen die vanuit deze diensten gebeuren bij een OCJ. Dit is voornamelijk het geval bij dossiers waarin broers of zussen zich ook in een verontrustende situatie bevinden en men ook beslist tot het opstarten van de procedure mano.

Tabel: Aantal aanmeldingen 2015 naar soort aanmelder
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Parket 606 369 503 236 447 2.161 50,2
OCJ 16 37 30 18 31 132 3,1
SDJ 29 14 6 9 1 59 1,4
Cliëntsysteem 26 53 59 25 107 270 6,3
VK 1 8 2 0 0 11 0,3
K&G 39 26 23 7 47 142 3,3
CAW 15 9 3 15 10 52 1,2
CLB 201 103 231 123 165 823 19,1
CGG 13 29 14 9 20 85 2,0
VAPH 22 36 22 20 27 127 2,9
JWZ 92 21 56 50 54 273 6,3
Andere 31 25 24 41 51 172 4,0
Totaal 1.091 730 973 553 960 4.307 100,0

Binnen één procedure mano kunnen verschillende jeugdhulpaanbieders een melding doen voor een jongere, deze worden hier allen geteld. Vandaar het verschil in het totaal aantal unieke aanmeldingen in de vorige tabel en het aantal aanmeldingen hier.

Het doel van het onderzoek van de aangemelde verontrustende situatie is drieledig:

  • een exploratie van de mate van verontrusting;
  • de noodzaak nagaan om als overheid in te grijpen op de hulpverlening (maatschappelijk noodzakelijke jeugdhulpverlening);
  • de mogelijkheden aftoetsen om verder te gaan in de vrijwillige hulpverlening, dan wel de noodzaak om gerechtelijke hulpverlening op te starten.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de uitkomst van de aanmeldingen in 2015:

  • Het is niet maatschappelijk noodzakelijk om in te grijpen;
  • Het is maatschappelijk noodzakelijk om in te grijpen. Dan zijn er drie scenario’s:
    • Observerend casemanagement (OCM): het OCJ blijft op de hoogte van de gestarte of reeds lopende hulpverlening en is alert voor mogelijke signalen van noodzaak aan gerechtelijke interventie;
    • Interveniërend casemanagement (ICM): het OCJ neemt de organisatie van de hulpverlening over. Dit is wanneer hulp noodzakelijk is, zonder dat een expliciete hulpvraag aanwezig is. Het is noodzakelijk om continu aanklampend, bemiddelend en onderhandelend te werken om in een buitengerechtelijke context te blijven werken of om veiligheid te kunnen garanderen;
    • Doorverwijzing naar het Openbaar Ministerie.
  • De aanmelding wordt na vraagverheldering afgesloten.
  • ‘Niet ingevuld’: op het moment van de meting (begin maart 2016) is de procedure nog lopende (bv. voor aanmeldingen van november-december 2015).
Tabel: Resultaat aanmelding naar regio
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Mano-ICM 564 321 357 187 360 1.789 41,5
Mano-0CM 23 7 30 11 3 74 1,7
Geen Mano 251 167 295 165 290 1.168 27,1
Doorverwijzing Parket 112 74 124 72 82 464 10,8
Niet ingevuld 141 161 167 118 225 812 18,9
Totaal 1.091 730 973 553 960 4.307 100,0
% 25,3 16,9 22,6 12,8 22,3 100,0  
Tabel: Resultaat aanmelding naar soort aanmelder
  MaNo-ICM MaNo-OCM Geen MaNo Doorverwezen naar parket na CO (Nog) niet ingevuld Totaal
            %
Parket 759 16 794 193 399 2.161
% 35,1 0,7 36,7 8,9 18,5 100
Cliëntsysteem 99 1 92 26 52 270
% 36,7 0,4 34,1 9,6 19,3 100
OCJ 66 4 14 23 25 132
% 50 3 10,6 17,4 18,9 100
SDJ 22 1 18 9 9 59
% 37,3 1,7 30,5 15,3 15,3 100
VK 2 0 0 1 8 11
% 18,2 0 0 9,1 72,7 100
K&G 92 1 17 14 18 142
% 64,8 0,7 12 9,9 12,7 100
CAW 25 0 10 4 13 52
% 48,1 0 19,2 7,7 25 100
CLB 404 23 105 121 175 828
% 48,8 2,8 12,7 14,6 21,1 100,0
CGG 50 2 10 4 19 85
% 58,8 2,4 11,8 4,7 22,4 100
VAPH 61 6 20 16 24 127
% 48 4,7 15,7 12,6 18,9 100
JWZ 151 18 30 38 36 273
% 55,3 6,6 11 13,9 13,2 100
Andere 58 2 58 15 34 167
% 34,7 1,2 34,7 9 20,4 100
Totaal 1.789 74 1.168 464 812 4.307
% 41,5 1,7 27,1 10,8 18,9 100

Voor 27 % van de aanmeldingen wordt besloten tot geen maatschappelijke noodzaak (mano). Hiertoe behoren ook de aanmeldingen die reeds bij vraagverheldering worden afgesloten (13%, n= 566). Dit zijn vooral aanmeldingen vanwege het Parket (n=447).

In de meeste aanmeldingen wordt een caseonderzoek gestart en zelfs beslist tot mano. Voor 10% van de aanmeldingen is men overtuigd van de maatschappelijke noodzaak maar is het nodig om door te verwijzen naar het Parket.

Wanneer er beslist wordt tot mano, volgt het OCJ de zaak op. In 2015 geldt nog het onderscheid tussen observerend en interveniërend casemanagement. Overwegend kiezen de OCJ voor interveniërend casemanagement.  In de loop van 2016 zal het onderscheid geleidelijk aan uitdoven en is er eind 2016 sprake van ‘(interveniërend) casemanagement’.

Wanneer in een situatie sprake is van verontrusting en maatschappelijke noodzaak én er is geen vrijwilligheid/samenwerking meer mogelijk met het cliëntsysteem, dan wordt op het team de stap naar het Openbaar Ministerie overwogen. Indien het team beslist tot doorverwijzing, informeert de consulent de cliënt (telefonisch, face to face …) over:

  • de aanwezige zorgen: verontrusting, geen medewerking met het OCJ, maatschappelijke noodzaak …;
  • een mogelijke doorverwijzing naar het Openbaar Ministerie;
  • de minimale verwachtingen die zijn opgesteld in het team.

De consulent informeert de cliënt ook over het aanbod van een tegensprekelijk debat. De cliënt kiest om hier al dan niet op in te gaan. Het tegensprekelijk debat is een gesprek waarbij de consulent die het dossier begeleidt en de teamverantwoordelijke aanwezig zijn. De ouders of opvoedingsfiguren worden samen met de minderjarige (afhankelijk van maturiteit en leeftijd) uitgenodigd. Zij mogen ook een vertrouwenspersoon meenemen. In dit gesprek worden de zorgen geduid en minimale verwachtingen opnieuw besproken. De cliënten krijgen de kans om elk vanuit hun perspectief te reageren. Er wordt gestreefd naar een dialoog met de cliënt. Het debat gaat niet meer over het WAT (= de minimale verwachtingen) maar wel over het HOE. Het tegensprekelijk debat wordt afgesloten met al dan niet het akkoord van de cliënt met de bodemeisen. Afhankelijk hiervan, blijft het OCJ verder betrokken of is er een doorverwijzing naar het Openbaar Ministerie. Indien de cliënt akkoord gaat met de bodemeisen, wordt een engagementsverklaring opgemaakt.

Uit de cijfers blijkt dat er meestal niet wordt gekozen voor een tegensprekelijk debat. Tijdens het casemanagement wordt iets vaker op dit aanbod ingegaan.

Tabel: Aantal procedures doorverwijzen naar Parket, per fase
   Cliënt wil geen gesprek Gesprek en voortzetting MaNo Gesprek en doorverwijzing parket Totaal tegensprekelijk debat Totaal
fase: case-onderzoek 301 23 80 103 404
fase: case-management 396 48 229 277 673
totaal 697 71 309 380 1.077

In 2015 wordt voor 1.077 dossiers overwogen om deze door te verwijzen naar het Openbaar Ministerie, vooral tijdens het casemanagement. De betrokkenheid van het OCJ wordt slechts na 19% van de tegensprekelijke debatten verder gezet.

Tabel: % doorverwijzingen naar het Openbaar Ministerie, naar soort aanmelder en per fase in 2015.
  CO CM Totaal
Parket 42,1 29 34,2
Cliëntsysteem 5,5 21 14,8
OCJ 4,7 2,4 3,3
SDJ 2,2 0,3 1
VK 0,2 1,7 1,1
K&G 2,3 2,9 2,7
CAW 1 1,8 1,5
CLB 25,4 21,7 23,2
CGG 0,8 1 0,9
VAPH 3,5 2,7 3
JWZ 7,6 6,3 6,8
Andere 4,7 9,2 7,4
Totaal 100 100 100

De meeste cliënten die worden doorverwezen naar het Parket, zijn oorspronkelijk aangemeld door het Parket, het cliëntsysteem zelf of door het CLB.