Toggle navigation

Centra voor geestelijke gezondheidszorg

Een centrum voor geestelijke gezondheidszorg (CGG) biedt medisch-psychiatrische en psychotherapeutische hulpverlening aan mensen met ernstige psychische problemen. Elk CGG heeft een aparte werking voor kinderen en jongeren, volwassenen en ouderen. Een CGG is georganiseerd in meerdere teams op verschillende vestigingsplaatsen. In een CGG werken psychiaters, psychologen en maatschappelijk werkers.

De hulpverlening in een CGG gebeurt tijdens consultaties. Er is geen opname of verblijf. De hulpverlening in een CGG gebeurt via individuele consultaties, groepstherapie of gezinstherapie. De manier van werken gebeurt op maat van en in samenspraak met de cliënt. Samen wordt een behandelplan opgesteld met de behandeldoelstellingen.

Daarnaast kan een CGG:

  • Specifieke vormen van zorg aanbieden: bv. alcohol-, drugs- en suïcidepreventie, forensische hulpverlening, verslavingszorg, hulpverlening aan personen met een handicap en bijkomende psychische problemen …;
  • Samenwerken met andere partners aan projecten, gericht op specifieke doelgroepen of thema’s: bv. psychiatrische zorg in de thuissituatie, vroegdetectie van psychiatrische stoornissen, Buddywerking Vlaanderen, projecten rond familiaal geweld of kindermishandeling, projecten rond de invoering van een eerstelijnspsychologische functie, alternatieve gerechtelijke maatregelen, arbeidszorg …;
  • Ondersteuning en consult bieden aan andere organisaties in de zorg en hulpverlening zoals voorzieningen Jongerenwelzijn, gevangenissen, woonzorgcentra, rust- en verzorgingstehuizen, CAW …

Er zijn 20 CGG in Vlaanderen en Brussel. Alle centra worden door Zorg en Gezondheid erkend.

De CGG houden sinds 2007 een elektronisch patiëntendossier (EPD) bij. Daaruit komen de cijfers die de werking van de CGG in kaart brengen en van belang zijn voor beleidsvoorbereiding en -opvolging. Het jaarverslag brengt enkele kerncijfers over de werking van de CGG in Vlaanderen. Meer cijfers zijn te vinden op http://www.zorg-en-gezondheid.be/centra-voor-geestelijke-gezondheidszorg.

Binnen integrale jeugdhulp situeren de CGG zich in de probleemgebonden hulp. Rechtstreekse toegang kan, maar het is aan te bevelen om een psychisch probleem eerst te bespreken met een hulpverlener op de eerste lijn (huisarts, CLB, CAW …). Deze kan een eerste inschatting maken van het probleem en indien nodig doorverwijzen naar meer gespecialiseerde hulp, zoals een CGG.

Ook andere voorzieningen bieden gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg aan, zoals een psychiatrisch ziekenhuis, een zelfstandig werkende psychiater, een Centrum voor Ambulante Revalidatie, enz. Deze komen verder in dit jaarverslag niet terug. Al deze hulpverleners, zowel uit gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg als uit andere jeugdhulpsectoren, verenigen zich in regionale netwerken ‘geestelijke gezondheid kinderen en jongeren’. Er is 1 netwerk per provincie gevormd en een tweetalig netwerk in Brussel. Deze netwerken staan in voor de implementatie van de activiteitenprogramma’s die beschreven staan in de Gids ‘naar een nieuw geestelijk gezondheidsbeleid voor kinderen en jongeren’. Deze Gids werd door de verschillende bevoegde ministers voor Volksgezondheid ondertekend en voorgesteld op 28 mei 2015 en omvat onder meer een ‘Nationaal Plan nieuw beleid geestelijke gezondheid kinderen en jongeren 2015-2020’. De komende jaren zal de Vlaamse overheid samen met de andere deelstaten en federale overheid werk maken van de uitvoering van dit plan. We verwachten van de regionale netwerken dat ze hun krachten bundelen om hiaten te ontdekken, creatieve oplossingen te vinden, en nog beter samen te werken met als doel een geïntegreerde geestelijke gezondheidszorg op maat in de leefomgeving van de minderjarige. Het nieuwe beleid krijgt uitvoering in opeenvolgende stappen. Een eerste prioriteit is de versterking van het crisisaanbod voor kinderen en jongeren. Nadien wordt in elke regio een programma langdurige zorg geïmplementeerd en vervolgens een programma intersectorale consult en liaison. Daarna kunnen nog andere programma’s volgen. Het is uiteraard erg belangrijk dat de implementatie in goede afstemming gebeurt met het Vlaamse beleid inzake jeugdhulp. We streven naar een bundeling van krachten van bestaande en nieuwe initiatieven.

Lees meer over het beleid rond geestelijke gezondheid bij kinderen en jongeren op www.psy0-18.be.

Tabel: Aantal unieke cliënten van 0 t.e.m. 25 jaar binnen CGG
  Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Limburg Antwerpen Totaal %
0-5 jarigen 104 53 117 54 197 525 2,7
6-11 jarigen 1015 803 1022 926 1146 4912 24,8
12-17 jarigen 1342 1157 1734 1351 1606 7190 36,3
18-21 jarigen 703 653 818 728 891 3793 19,2
22-25 jarigen 621,0 568,0 645,0 614,0 919,0 3367,0 17,0
Totaal 3785,0 3234,0 4336,0 3673,0 4759,0 19787,0 100
% 19,1 16,3 21,9 18,6 24,1 100,0  

Bovenstaande tabel toont het aantal unieke cliënten CGG in 2015, per leeftijdsgroep en per regio. Unieke cliënten betekent dat elk kind of elke jongere slechts één keer is meegeteld. In totaal worden in 2015 19.787 cliënten jonger dan 25 jaar behandeld in de CGG.

Onderstaande gegevens zijn gebaseerd op het aantal zorgperiodes, dat is de behandeleenheid in een CGG. Sommige cliënten kennen per jaar meer dan 1 zorgperiode: als iemand een behandeling krijgt voor 2 verschillende problemen, of een behandeling in het begin en één later op het jaar, zijn dat 2 afzonderlijke zorgperiodes. Daarom zijn er elk jaar iets meer zorgperiodes dan unieke cliënten. In totaal zijn er in 2015 20.077 actieve zorgperiodes van 0- tot 25-jarigen in de CGG.

Tabel: Verwijzers CGG 0-25 jarigen
  0-5 jarigen 6-11 jarigen 12-17 jarigen 18-21 jarigen 22-25 jarigen 0-25 jarigen
  aantallen % aantallen % aantallen % aantallen % aantallen % aantallen %
andere professionele verwijzers 223 42,40 1.439 29,05 1.990 27,37 1.308 33,80 1.467 42,45 6.427 32,01
initiatief jongere of omgeving 99 18,82 954 19,26 1.550 21,32 928 23,98 906 26,22 4.437 22,10
CLB 54 10,27 1.064 21,48 1.451 19,96 381 9,84 28 0,81 2.978 14,83
Huisarts 30 5,70 299 6,04 595 8,18 532 13,75 602 17,42 2.058 10,25
diensten Jongerenwelzijn 29 5,51 396 7,99 654 8,99 198 5,12 41 1,19 1.318 6,56
School 25 4,75 448 9,04 512 7,04 239 6,18 76 2,20 1.300 6,48
CAW 16 3,04 96 1,94 153 2,10 159 4,11 241 6,97 665 3,31
diensten VAPH 5 0,95 82 1,66 132 1,82 58 1,50 74 2,14 351 1,75
diensten Kind en Gezin 43 8,17 141 2,85 96 1,32 25 0,65 19 0,55 324 1,61
Jeugdrechtbank & Jeugdparket 2 0,38 35 0,71 138 1,90 42 1,09 2 0,06 219 1,09
alle zorgperiodes 526 100,00 4.954 100,00 7271 100,00 3.870 100,00 3.456 100,00 20.077 100,00

Bovenstaande tabel toont hoe een cliënt bij een CGG komt: rechtstreeks of via een professionele doorverwijzer. Zo zijn de CLB een belangrijke verwijzer naar de CGG voor kinderen en jongeren (tot en met 17 jaar). Vanaf 18 jaar komt de huisarts sterker in beeld als verwijzer.

‘Initiatief jongere of omgeving' staat voor jongeren die rechtstreeks naar een CGG stappen, al eerder in een CGG behandeling kregen of via vrienden of familie bij het CGG terecht komen.

Diensten Kind en Gezin zijn verwijzingen vanuit consultatiebureaus, vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) en centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG).

Voor de sectoren CLB en CAW is er geen onderscheid tussen typemodules brede instap en vervolghulp RTJ.

Ook voor volgende tabellen geldt dat sommige cliënten per jaar meer dan 1 zorgperiode kennen: als iemand een behandeling krijgt voor 2 verschillende problemen, of een behandeling in het begin en één later op het jaar, zijn dat 2 afzonderlijke zorgperiodes. Daarom zijn er elk jaar iets meer zorgperiodes dan unieke cliënten.

Tabel: Aanmeldingsredenen 0-25 jarigen: jongens vs. meisjes
  Jongens Meisjes
  N % N %
Psychische problemen 2.150 21,01 3.655 37,13
Gedragsproblemen 2.318 22,65 1.014 10,30
Interactieproblemen 1.254 12,25 1.618 16,44
Verwerkingsproblemen 910 8,89 1.290 13,10
Ontwikkelingsproblemen 1.254 12,25 508 5,16
Verslavingsproblemen 832 8,13 198 2,01
Slachtofferschap 248 2,42 517 5,25
Specifieke modaliteit 349 3,41 198 2,01
Geen klachten 284 2,78 244 2,48
Klachten m.b.t. lichamelijk - fysiologisch functioneren 157 1,53 312 3,17
Klachten m.b.t. realiteitscontrole 198 1,93 88 0,89
Maatschappelijke problemen/sociale inschakeling 175 1,71 82 0,83
Onbekend 77 0,75 93 0,94
Ander probleem 23 0,22 23 0,23
Betrokken bij de hulp aan andere cliënt 4 0,04 4 0,04
Alle zorgperiodes* 10.233 100,00 9.844 100,00

De tabel boven toont de meest voorkomende aanmeldingsredenen, gegroepeerd in grotere categorieën. Er zijn duidelijke verschillen tussen meisjes en jongens. Meisjes worden vaker aangemeld met psychische problemen, jongens met gedragsproblemen.

Onderstaande tabellen gaan dieper in op de concrete aanmeldingsredenen bij jongens en meisjes, per leeftijdsgroep.

Tabel: top 5 aanmeldingscategorie per leeftijdscategorie – jongens
0 -11 jaar 12 - 17 jaar 18-25 jaar
top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes
oppositioneel gedrag bij kinderen 335 oppositioneel gedrag bij kinderen 256 depressieve stemming 90
agressie 246 aandacht en concentratieproblemen 231 suicidepoging/gedachten 40
ouder-kind emotioneel/hechting 238 depressieve stemming 219 agressie 40
aandacht en concentratieproblemen 229 agressie 211 angsten/fobie 37
ander gedragsprobleem 183 autisme 192 aandacht en concentratieproblemen 35
Tabel: top 5 aanmeldingscategorie per leeftijdscategorie – meisjes
0 -11 jaar 12 - 17 jaar 18-25 jaar
top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes top 5 detailcategorieën aantal zorgperiodes
ouder-kind emotioneel/hechting 233 depressieve stemming 434 depressieve stemming 434
angsten/fobie 188 suicidepoging/gedachten 279 suicidepoging/gedachten 279
oppositioneel gedrag bij kinderen 150 ouder-kind emotioneel/hechting 269 ouder-kind emotioneel/hechting 269
verwerking echtscheiding ouders 145 angsten/fobie 191 angsten/fobie 191
ouder-kind opvoedingsprobleem 106 oppositioneel gedrag bij kinderen 158 oppositioneel gedrag bij kinderen 158
Tabel: Kenmerken zorgperiodes CGG  0-25 jarigen: aantal hulpactiviteiten
leeftijd aantal hulpactiviteiten aantal zorgperiodes gemidd. aantal hulpact. per zorgperiode
0-5 jarigen 902 182 5,0
6-11 jarigen 10.448 1.472 7,1
12-17 jarigen 18.068 2.648 6,8
18-21 jarigen 11.493 1.857 6,2
22-25 jarigen 8.913 1.548 5,8

Bovenstaande tabel toont het aantal actieve zorgperiodes in 2015 (die ook in 2015 zijn beëindigd) en het aantal hulpactiviteiten in 2015, per leeftijdsgroep. Dit levert een gemiddeld aantal hulpactiviteiten per zorgperiode, per leeftijdsgroep. Het gemiddelde blijkt gelijkaardig in de verschillende leeftijdsgroepen.

CGG bieden een breed palet aan hulpactiviteiten:

  • Indicatiestelling: intake, soorten diagnostische onderzoeken, adviesgesprek, cliëntoverleg …;
  • Begeleiding: psychosociale begeleiding, groepsbegeleiding voor KOPP, specifieke groepsbegeleiding, huisbezoek …;
  • Behandeling: individuele therapie, groepstherapie, speltherapie, gezinstherapie …;
  • Activering: dagbesteding – educatie, dagbesteding – arbeidsgericht …;
  • Psycho-educatie: sociale vaardigheidstraining …
Tabel: Wachttijden tussen aanmelding, eerste en tweede consultatie
  Wachttijd tot 1ste consult Wachtijd tss. 1ste en 2de consult Wachttijd van aanmelding tot 2de consult
leeftijd Gemiddelde Percentiel 75 Gemiddelde Percentiel 75 Gemiddelde Percentiel 75
0-5 jarigen 46 57 42 47 86 105
6-11 jarigen 65 74 54 58 122 159
12-17 jarigen 50 52 41 43 92 111
18-21 jarigen 38 42 37 37 77 92
22-25 jarigen 38 42 38 41 79 92
Totaal 49 53 43 45 94 116

Bovenstaande tabel toont zowel de gemiddelde waarde als percentiel 75. De gemiddelde waarde kan nl. vertekend worden door extreme waarden en geeft daarom niet altijd een waarheidsgetrouw beeld. Daarom zijn de cijfers aangevuld met percentiel 75. Dit geeft de maximale wachttijd weer voor de meerderheid (75%) van de cliënten. De tabel toont:

  • hoelang een cliënt gemiddeld moet wachten op een 1e gesprek binnen CGG en binnen hoeveel dagen 75% van de cliënten een 1e gesprek krijgt;
  • hoelang een cliënt gemiddeld moet wachten tussen het 1e en het 2e gesprek en binnen hoeveel dagen 75% van de cliënten een 2e gesprek krijgt binnen CGG nadat het 1e gesprek heeft plaatsgevonden;
  • hoelang een cliënt gemiddeld moet wachten vanaf het moment van aanmelding tot de start van de behandeling, waarbij de start van de behandeling gelijk staat aan de 2e consultatie. Daarnaast staat in deze tabel ook binnen hoeveel dagen na aanmelding 75% van het cliënteel een 2e consultatie krijgt.

In 2015 krijgt 75% van de 0- tot 25-jarigen een eerste afspraak in een CGG binnen 53 dagen na de aanmelding.

Het eerste gesprek is meestal een intake, het tweede gesprek wordt doorgaans gezien als de start van de behandeling binnen CGG. In 2015 krijgt 75% van de 0- tot 25-jarigen een 2e consultatie in een CGG binnen 45 dagen na de 1e consultatie.

In 2015 kan 75% van de behandelingen bij 0- tot 25-jarigen starten binnen 116 dagen na de aanmelding in het CGG. Hierbij staat de start van de behandeling gelijk aan de 2e consultatie.

De langste wachttijden gelden voor de 6- tot 11-jarigen.

Centra algemeen welzijnswerk

In 2015 begeleidt het centrum voor algemeen welzijnswerk (CAW) 6.459 jongeren onder de 25 jaar.

Tabel: Aantal begeleidingen, volgens leeftijd en per provincie
Leeftijd Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West Vlaanderen Totaal %
0 - 11 jaar 335 220 364 228 247 1.394 21,6
12-17 jaar 287 121 182 199 319 1.108 17,2
18 - 25 jaar 1.004 499 814 791 849 3.957 61,3
Totaal  1.626 840 1.360 1.218 1.415 6.459 100,0
% 25,2 13,0 21,1 18,9 21,9 100,0  
Tabel: Aantal begeleidingen per typemodule
  Aantal %
Begeleiding psychische en persoonlijke problemen 893 16,30%
Bezoekruimte gerechtelijke context 444 8,10%
Integrale residentiële begeleiding thuisloosheid 393 7,20%
Begeleid zelfstandig wonen voor jongvolwassenen 364 6,60%
Integrale individuele begeleiding 330 6,00%
Opvang van kinderen van ouders in een opvangsituatie 314 5,70%
Individuele begeleiding slachtofferschap 300 5,50%
Integrale residentiële begeleiding van jongvolwassenen 255 4,70%
Begeleid wonen 249 4,50%
Preventieve woonbegeleiding 173 3,20%
Integrale begeleiding in het kader van studio-opvang 173 3,20%
Begeleiding DIZ 161 2,90%
Crisisbegeleiding - residentieel 148 2,70%
Begeleiding intrafamiliaal geweld 137 2,50%
Begeleiding basisrechten 114 2,10%
Groepsbegeleiding 105 1,90%
Integrale residentiële begel. slachtoffers partnergeweld 99 1,80%
Psychotherapie 82 1,50%
Begeleiding GPP - individueel 79 1,40%
Integrale gezinsbegeleiding 74 1,40%
Bemiddeling conflicten tussen jongeren en hun ouders 73 1,30%
Begeleiding SIB 64 1,20%
Begeleiding partnerrelatie 63 1,10%
Bezoekruimte vrijwillige context 59 1,10%
Gezinsbegeleiding 47 0,90%
Begeleiding seksueel grensoverschrijdend gedrag 42 0,80%
Begeleiding opvoedingsonzekerheid 41 0,70%
Begeleiding seksuele delinquenten 38 0,70%
Begeleiding LDSG 35 0,60%
Ouderschapsbemiddeling 33 0,60%
Gezinstherapie 24 0,40%
Begeleiding scheidingsproces 24 0,40%
Begeleiding GPP - groep 12 0,20%
Scheidingsbemiddeling 10 0,20%
Begeleiding seksuele problemen en geboorteregeling 9 0,20%
Begeleiding ouder-kind contact in detentie 6 0,10%
Integrale begeleiding naastbestaanden van gedetineerden 6 0,10%
Integrale begeleiding gedetineerden in detentiecontext 5 0,10%
Relatietherapie 3 0,10%
Totaal  5.481 100,00%

De meeste begeleidingen situeren zich binnen de problematiek van psychische en persoonlijke problemen (16%). De tabel laat zien dat jongeren in vele typemodules in begeleiding geholpen worden, dus niet alleen in de typemodules specifiek gericht op jongeren. De lijst van typemodules is niet gebaseerd op leeftijd maar op type-aanbod.

Het aantal typemodules (5.481) is niet gelijk aan het aantal jongeren in begeleiding (6.459), omdat niet elke jongere in begeleiding automatisch gebonden is aan een typemodule. Een jongere kan als cliënt aangeduid zijn in een gesprek in 2015, maar toch geen typemodule-formulier hebben toegekend, bv. wanneer de typemodule bij de ouders is aangeduid en dus niet gelinkt is aan de jongere zelf.

Tabel: Aantal begeleid zelfstandig wonen voor jongeren
Leeftijd Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West Vlaanderen Totaal %
0 - 11 jaar 0 0 0 0 6 6 1,7
12-17 jaar 8 0 5 11 6 30 8,3
18 - 25 jaar 32 13 81 121 80 327 90,1
Totaal  40 13 86 132 92 363 100,0
% 11,0 3,6 23,7 36,4 25,3 100,0  

Bij de typemodule begeleid zelfstandig wonen zijn er in West-Vlaanderen 6 cliënten tussen 0-11 jaar. Deze kinderen krijgen samen met hun ouders de typemodule begeleid zelfstandig wonen toegekend omdat zij samen worden begeleid in het kader van woonvaardigheden.

Tabel: Aantal individuele begeleidingen in het kader van slachtofferschap
Leeftijd Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant - Brussel West Vlaanderen Totaal %
0 - 11 17 6 23 11 23 80 26,7
Dec-17 9 10 41 15 32 107 35,7
18 - 25 12 14 36 32 19 113 37,7
Totaal  38 30 100 58 74 300 100,0
% 12,7 10,0 33,3 19,3 24,7 100,0  

De individuele begeleiding in het kader van slachtofferschap gaat over hulp aan jongeren die slachtoffer zijn van geweld en misbruik of betrokken zijn bij verkeersongevallen en misdrijven. In 2015 gaat het over 300 kinderen en jongeren.

Tabel: Aantal jongeren begeleid in de bezoekruimte: vrijwillig en gerechtelijk
Leeftijd Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West Vlaanderen Totaal %
0 - 11 jaar 68 62 118 37 45 330 65,7
12-17 jaar 16 19 43 14 16 108 21,5
18 - 25 jaar 11 12 17 9 15 64 12,7
Totaal 95 93 178 60 76 502 100,0
% 18,9 18,5 35,5 12,0 15,1 100,0  

In de bezoekruimte kunnen ouders en kinderen terecht om het contact te herstellen binnen een veilig kader, vaak via een vonnis door een rechter. Niet alleen worden de contacten tussen kinderen en ouders zo bevorderd, de bezoekruimte streeft ook naar een gepast herstel van betekenisvolle relaties tussen ouders en kind. Het welbevinden van het kind staat centraal. Komt de integriteit van het kind of één van de ouders in het gedrang, dan wordt daar gepast mee omgegaan door eventueel het aanbod stop te zetten of op te schorten. In 2015 krijgen 502 kinderen en jongeren zo de kans om het contact met één van de ouders en eventueel grootouders te herstellen.

Tabel: Aantal jongeren begeleid binnen een integrale gezinscontext
Leeftijd Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West Vlaanderen Totaal %
0 - 11 jaar 3 0 1 9 14 27 36,5
12 - 17 jaar 4 0 5 6 3 18 24,3
18 - 25 jaar 1 2 5 4 17 29 39,2
Totaal 8 2 11 19 34 74 100,0
% 10,8 2,7 14,9 25,7 45,9 100,0  

Bij integrale gezinsbegeleiding wordt niet alleen de jongere begeleid maar ook (één van) de ouders, en eventueel broers en zussen. Veelal start deze begeleiding vanuit de noden en behoefte van de ouders en worden de kinderen met hun instemming daarbij betrokken.

Tabel: Aantal cliënten ‘doorverwezen naar’, per provincie
  Antwerpen Limburg Oost Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West Vlaanderen Totaal  
Algemeen welzijnswerk 38 7 24 19 15 103 9,0%
Jongerenwelzijn 15 7 3 29 8 62 5,0%
Diensten personen met een handicap en chronische ziekten 8 5 9 4 6 32 3,0%
Kind en gezin 9 10 9 1 12 41 3,0%
Geestelijke gezondheidszorg 58 29 40 52 23 202 17,0%
Sociale dienst OCMW 45 49 38 36 53 221 19,0%
Medische sector algemeen 15 0 13 7 9 44 4,0%
Tewerkstelling en arbeid 15 9 35 11 32 102 9,0%
Huisvesting 10 10 46 3 35 104 9,0%
andere 33 37 86 59 58 273 23,0%
totaal  246 163 303 221 251 1.184 100,0%

Van de 6.459 jongeren die het CAW begeleidt in 2015, zijn 1.184 cliënten doorverwezen. Er zijn 440 doorverwijzingen binnen integrale jeugdhulp. Een groot deel daarvan (n=202), wordt doorverwezen naar de geestelijke gezondheidszorg. De doorverwijzing naar een CAW (n=103) betreft verwijzingen naar een ander CAW, bv. wanneer:

  • iemand aangemeld wordt bij het ene CAW maar in het werkingsgebied van een ander CAW woont;
  • het voor een cliënt gemakkelijker is om bij een ander CAW te geraken (bv. dichter bij huis);
  • de cliënt verhuisd is;
  • het beter aansluit bij de hulpverlening van andere diensten.

Vlaams agentschap voor personen met een handicap

Rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp binnen het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) bevat diverse vormen van ondersteuning waarvoor geen indicatiestelling of een jeugdhulpbeslissing vereist is. Hieronder vallen zowel de diensten die erkend zijn om rechtstreeks toegankelijke hulp aan te bieden, als de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp van de diensten thuisbegeleiding, de diensten ondersteuningsplan en de centra voor ontwikkelingsstoornissen.

Rechtstreeks toegankelijke hulp

Rechtstreeks Toegankelijke Hulp (RTH) biedt ondersteuning aan personen met een (vermoeden van) handicap. Dit hoeft niet te gebeuren via de intersectorale toegangspoort. In principe kan elke erkende VAPH- voorziening ervoor kiezen om RTH aan te bieden (hetzij via een aparte erkenning of door het krijgen van middelen van een erkende dienst RTH).

RTH heeft een dubbel doel:

  • Laag intensieve of laagfrequente ondersteuning vlot toegankelijk maken voor de persoon met een handicap. Zo kan deze geholpen worden zonder het doorlopen van de procedures om toegang te krijgen tot niet-rechtstreeks toegankelijke hulpverlening;
  • Vermijden dat personen met een beperkte ondersteuningsvraag onnodig gebruik maken van te intensieve en duurdere vormen van ondersteuning die niet-rechtstreeks toegankelijk zijn. In veel gevallen kan een regelmatige en laagdrempelige ondersteuning van de minderjarige en zijn context of beperkt verblijf de noodzaak aan verdere, intensievere vormen van ondersteuning verminderen. 

In 2015 kan iedere persoon met een (vermoeden van) handicap maximaal 12 dagen verblijf per jaar (nachtopvang), 24 dagen dagopvang en 12 psychosociale begeleidingen krijgen vanuit het VAPH. Tijdens de eerste twee jaar samen mogen er 48 begeleidingen worden verstrekt.

RTH richt zich bewust op personen die met beperkte ondersteuning, samenwerking en gerichte doorverwijzing voldoende handicapspecifieke ondersteuning krijgen binnen dit rechtstreeks toegankelijk ondersteuningspakket. Het is evenwel niet uitgesloten dat personen die meer ondersteuning nodig hebben, in afwachting van deze meer intensieve ondersteuning, al gebruik maken van RTH. In 2016 is een nieuw besluit rond RTH gestemd dat de regels wijzigt en meer rechtstreeks toegankelijke ondersteuning toelaat, alsook een flexibelere inzet ervan.

De functies kunnen ook gecombineerd worden. Personen die gebruik maken van verblijf kunnen dus ook gebruik maken van dagopvang.

Het VAPH registreert de begeleidingsovereenkomsten van de cliënten, met de start- en einddatum van de geboden ondersteuning. Elke organisatie die RTH aanbiedt, registreert per cliënt ook de aangeboden functies (verblijf, dagopvang, begeleiding).

Tabel: Aantal unieke cliënten RTH, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 150 22 17 7 60 256 8,8
6-11 jaar 270 80 80 52 118 600 20,7
12-17 jaar 197 76 65 43 82 463 16,0
18-21 jaar 242 72 126 114 85 639 22,0
22-25 jaar 359 115 172 138 156 940 32,4
TOTAAL 1.218 365 460 354 501 2.898  
% 42,0 12,6 15,9 12,2 17,3    

De grootste groep RTH-gebruikers is tussen de 18 en 25 jaar (54%).

De ondersteuning bij minderjarigen is eerder beperkt. De grootste groep hier zijn kinderen van de lagere schoolleeftijd, mogelijk door de aanwezigheid van een aantal regionale projecten met kinderen in het buitengewoon onderwijs die geen gebruik maken van niet-rechtstreeks toegankelijke ondersteuning. Vroeger was dit vaak wel het geval: bv. de combinatie van naar school gaan en gebruik maken van een (semi-)internaat op dezelfde campus. Deze kinderen hebben voldoende aan beperkte ondersteuning via bv. begeleiding van het netwerk en de school.

In Antwerpen en West-Vlaanderen valt het hoge aantal gebruikers van RTH op voor de jongste kinderen (0-5 jaar) (telkens ongeveer 12%).

Tabel: Aantal cliënten RTH, functie verblijf, per leeftijdscategorie
VERBLIJF Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 7 1 6 2 3 19 7,7
6-11 jaar 12 5 18 10 19 64 25,8
12-17 jaar 10 5 17 14 15 61 24,6
18-21 jaar 25 9 7 5 12 58 23,4
22-25 jaar 16 8 5 3 14 46 18,5
TOTAAL 70 28 53 34 63 248  
% 28,2 11,3 21,4 13,7 25,4    
Tabel: Aantal cliënten RTH, functie dagopvang, per leeftijdscategorie
DAGOPVANG  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 49 13 14 5 32 113 10,4
6-11 jaar 105 37 57 42 60 301 27,7
12-17 jaar 74 21 35 29 45 204 18,8
18-21 jaar 68 31 23 32 27 181 16,7
22-25 jaar 106 51 39 38 53 287 26,4
TOTAAL 402 153 168 146 217 1086  
% 37,0 14,1 15,5 13,4 20,0    
Tabel: Aantal cliënten RTH, functie ambulante begeleiding, per leeftijdscategorie
AMBULANTE BEGELEIDING Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal  
0-5 jaar 74 6 2 1 9 92 9,8
6-11 jaar 112 14 28 18 30 202 21,5
12-17 jaar 82 23 25 25 16 171 18,2
18-21 jaar 64 27 29 45 26 191 20,3
22-25 jaar 136 36 32 39 40 283 30,1
TOTAAL 468 106 116 128 121 939  
  49,8 11,3 12,4 13,6 12,9    
Tabel: Aantal cliënten RTH, functie mobiele begeleiding, per leeftijdscategorie
MOBIELE BEGELEIDING Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 72 6 4 3 28 113 6,2
6-11 jaar 136 52 29 12 61 290 15,8
12-17 jaar 105 54 28 16 39 242 13,2
18-21 jaar 172 53 105 80 61 471 25,7
22-25 jaar 283 68 139 107 121 718 39,1
TOTAAL 768 233 305 218 310 1.834  
% 41,9 12,7 16,6 11,9 16,9    

Een beperkt aantal gebruikers van RTH maakt daadwerkelijk gebruik van de functie verblijf (slechts een kleine 9%). Bijna 37% van de gebruikers van RTH maakt gebruik van dagopvang.

Het overgrote deel van de gebruikers van RTH maakt gebruik van:

  • mobiele begeleiding (63,3%): de hulpverlener gaat voor de aangeboden ondersteuning naar het kind en zijn netwerk;
  • ambulante begeleiding (32%): de minderjarige en/of zijn netwerk verplaatst zich voor de ondersteuning naar de hulpverlener.

Deze hulp is heel laagdrempelig en biedt voor heel wat gezinnen voldoende antwoord op de ondersteuningsvraag.

Thuisbegeleiding

Thuisbegeleidingsdiensten bieden mobiele en ambulante begeleiding aan minderjarigen en hun gezin, vooral thuis maar ook in het ruime netwerk (school, buurt …). De begeleiding kan zowel rechtstreeks toegankelijk zijn als niet-rechtstreeks toegankelijk (hoogfrequente, intensieve begeleiding vanuit de thuisbegeleidingsdiensten).

In heel Vlaanderen zijn er 26 thuisbegeleidingsdiensten, verspreid over de vijf provincies en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ze werken rond diverse doelgroepen (verstandelijke, motorische, visuele en/of auditieve handicap, gedrags- en emotionele stoornissen en autisme). Voor sommige doelgroepen is er een thuisbegeleidingsdienst in elke provincie, voor andere (bv. visuele of auditieve handicap) bedient één dienst meerdere provincies.

De cijfers hieronder tonen het deel thuisbegeleiding dat valt onder rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (RTJ) in 2015.

Tabel: Aantal unieke cliënten rechtstreeks toegankelijke thuisbegeleiding, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 471 472 575 422 447 2.387 41,2
6-11 jaar 732 266 171 220 279 1.668 28,8
12-17 jaar 528 233 98 85 197 1.141 19,7
18-21 jaar 150 76 57 30 91 404 7,0
22-25 jaar 50 31 33 21 60 195 3,4
TOTAAL 1.931 1.078 934 778 1.074 5.795  
% 33,3 18,6 16,1 13,4 18,5    

Bijna 60% van de cliënten van de thuisbegeleidingsdiensten maakt in 2015 gebruik van het rechtstreeks toegankelijk aanbod. Dit cijfer zal mogelijk nog stijgen door een verschuiving in diverse sectoren van contextbegeleiding naar rechtstreeks toegankelijke begeleiding.

Het groot aantal cliënten bij de jongste leeftijdsgroep is opvallend. De laatste jaren wordt steeds meer geïnvesteerd in ‘vroegbegeleiding’, met een positief effect op de verhouding tussen draagkracht en draaglast binnen het gezin en een mogelijk preventief effect naar het ontstaan van secundaire problematieken (bv. gedragsproblemen). Daarnaast is er binnen deze leeftijdsgroep veelal nog geen formele diagnose gesteld (vaak gaat het om een vermoeden van handicap).

Dienst ondersteuningsplan

Een persoon met een (vermoeden van) handicap kan een beroep doen op een Dienst Ondersteuningsplan (DOP) om inzicht te krijgen in de meest aangewezen soort(en) ondersteuning, al dan niet gefinancierd door het VAPH. Het DOP brengt - samen met de persoon met een handicap en zijn netwerk - de vragen, wensen, ondersteuningsnoden en mogelijkheden in kaart.  Dat leidt tot een ondersteuningsplan. De Diensten Ondersteuningsplan zijn opgericht in functie van de vermaatschappelijking van de zorg voor personen met een beperking en hebben expertise in krachtgericht en netwerkversterkend werken. Per provincie is er één dienst.

Tabel: Aantal unieke cliënten DOP, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant-Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jaar 6 0 0 5 3 14 1,3
6-11 jaar 8 0 5 10 6 29 2,7
12-17 jaar 19 13 21 6 11 70 6,5
18-21 jaar 174 70 150 59 62 515 47,8
22-25 jaar 153 49 97 40 91 430 39,9
TOTAAL 368 132 277 120 180 1.077  
% 34,2 12,3 25,7 11,1 16,7    

De meeste gebruikers van een DOP zijn tussen de 18 en 25 jaar. Veelal wordt een DOP geconsulteerd op sleutelmomenten in het leven, zoals de overgang naar volwassenheid. Vaak wordt dan pas werk gemaakt van het opstellen van een ondersteuningsplan omdat de vragen dan ook het meest prangend worden: het samen zoeken naar mogelijkheden binnen wonen, werken …

Onder de 18 jaar is het aantal cliënten eerder beperkt, hoewel een DOP hier ook erg zinvol kan zijn. In 2016 wordt verder werk gemaakt om de ondersteuning die zij kunnen bieden aan minderjarigen, verder bekend te maken.

Centra voor ontwikkelingsstoornissen

De hoofdopdracht van een centrum voor ontwikkelingsstoornissen (COS) is een zo vroeg mogelijke detectie, diagnose en oriëntering van kinderen met een (vermoeden van) ontwikkelingsstoornis. Om zo snel mogelijk op de meest gepaste manier ondersteuning te bieden, voeren artsen, psychologen, kinesisten, maatschappelijk werkers en logopedisten een diepgaand, gespecialiseerd en multidisciplinair onderzoek uit. Dat heeft als doel de mogelijkheden en beperkingen van het kind in kaart te brengen en eventueel de juiste diagnose te stellen.

Het COS kan op basis van deze diagnose ook adviezen geven en het kind en de ouders oriënteren naar de meest geschikte ondersteuningsvorm.

Tabel: Aantal unieke cliënten COS, per leeftijdscategorie
  COS Antwerpen COS Brussel COS Gent COS Leuven Totaal %
0-1 jaar 251 258 364 47 920 21,9
2-3 jaar 365 198 402 513 1.478 35,1
4-6 jaar 290 231 354 523 1.398 33,2
vanaf 7 jaar 135 74 146 56 411 9,8
totaal 1.041 761 1.266 1.139 4.207  
% 24,7 18,1 30,1 27,1    

De 2 tot 6-jarigen vormen ruim twee derde (68%) van het totaal aantal onderzochte kinderen:

  • Kinderen tussen 2 en 3 jaar zijn het sterkst vertegenwoordigd. Zij krijgen bij aanmelding ook voorrang op oudere kinderen en dit in functie van de doelstelling van een COS;
  • In functie van de overgang van kleuter naar lager onderwijs, is ook de leeftijdsgroep van 4 tot 6 jaar heel sterk aanwezig. Deze groep wordt vooral doorverwezen door CLB en scholen, maar ook ouders komen zelf aankloppen bij een COS voor een ontwikkelingsonderzoek.

Kind & Gezin

Functie: Begeleiding RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken. CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 erkende en gesubsidieerde CKG in Vlaanderen.

De kernopdracht van een CKG bestaat uit:

  • mobiele begeleiding;
  • ambulante trainingen en dagopvang;
  • crisisopvang;
  • korte residentiële opvang.

De hulpverlening is rechtstreeks toegankelijk en vertrekt vanuit de bereidheid van de ouders om hieraan mee te werken.

Daarnaast kan een CKG ook langdurig residentiële opvang aanbieden. Deze vorm van hulpverlening is niet-rechtstreeks toegankelijk en gericht op gezinnen met meervoudige problemen.

De tabel hieronder vermeldt de cijfers m.b.t. de mobiele begeleiding. Deze is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken, bestaat voornamelijk uit begeleiding aan huis en gefocust op de ouder-kind interactie in een opvoedingscontext. Daarnaast kan het ook worden gekoppeld aan een residentieel verblijf.

Het mobiele begeleidingsaanbod bestaat uit vijf typemodules, die variëren in begeleidingsduur en frequentie van contacten:

  • Kort licht mobiele gezinsbegeleiding: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 contact per week; van 1u tot 3u per contact;
  • Lang licht mobiele gezinsbegeleiding: van 3 maand tot 1 jaar; gemiddeld 1 contact per week; van 1u tot 3u per contact;
  • Zeer kort intensieve mobiele gezinsbegeleiding: maximaal 28 dagen; van 3 tot 5 contacten per week; van 1u tot 5u per contact;
  • Kort intensieve mobiele gezinsbegeleiding: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 3 contacten per week; van 1u tot 3u per contact;
  • Middellang intensieve mobiele gezinsbegeleiding: van 3 maand tot 6 maand; gemiddeld 3 contacten per week; van 1u tot 3u per contact.

Binnen de typemodules worden ook specifieke modules en methodieken ingezet:

  • In een beperkt aandeel van het kort lichte aanbod wordt Triple P level 5 ingezet (1%);
  • De zeer kort intensieve typemodule bestaat bijna uitsluitend uit crisisaanbod via het crisisnetwerk integrale jeugdhulp (90%);
  • De middellang intensieve typemodule wordt bijna uitsluitend volgens de methodiek Amberbegeleidingen aangeboden (92%). Dat is een specifieke vorm van gezinsbegeleiding voor kwetsbare gezinnen met zeer jonge baby’s.

Daarnaast kunnen CKG op eigen vraag formeel goedgekeurde weesmodules aanbieden onder de functie (mobiele) begeleiding. Een weesmodule is een typemodule, maar geen van bovenstaande. Het is een experimenteel of innovatief aanbod waarin een CKG een bepaalde nood aan hulp op een bepaald ogenblik in een bepaalde regio aantoont. In 2015 zijn er twee weesmodules door twee CKG: aanbod voor gedetineerde vaders en aanbod opvoedingsondersteuning gelinkt aan kinderopvang.

In 2015 staan de CKG in voor de mobiele begeleiding van 2.975 gezinnen met één of meerdere kinderen. De registratie gebeurt steeds bij één kind van het gezin in begeleiding. Zes op tien van deze kinderen is jonger dan zes jaar (62%), 37% is tussen zes en elf jaar oud en een minderheid is twaalf jaar (2%). CKG richten zich dus duidelijk op gezinnen met jonge kinderen.

Tabel: Leeftijd unieke minderjarigen in mobiele begeleiding
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jarigen 537 240 304 342 406 1.829 61,5
6-11 jarigen 347 146 189 230 182 1.094 36,8
12-17 jarigen 15 4 10 9 13 51 1,7
Totaal 899 390 503 581 601 2.975  
% 30,2 13,1 16,9 19,5 20,2    

Het gros van de mobiele begeleidingen bestaat uit lang lichte (1.867 gezinnen) en kort lichte (1.160 gezinnen) gezinsbegeleidingen. In mindere mate worden ook middellang intensieve (118 gezinnen), kort intensieve (96 gezinnen) en zeer kort intensieve (31 gezinnen) mobiele begeleidingen ingezet. Ten slotte bereiken de weesmodules 98 gezinnen.

Tabel: Aantal unieke gezinnen per typemodule in mobiele begeleiding (lopende in 2015)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Kort licht mobiel 312 147 194 259 247 1160 34,4
Lang licht mobiel 614 250 324 382 302 1872 55,5
Zeer kort intensief mobiel 0 0 0 14 17 31 0,9
Kort intensief mobiel 53 4 7 0 32 96 2,8
Middellang intensief mobiel 23 31 31 30 3 118 3,5
Weesmodule  16 0 0 0 82 98 2,9
Totaal begeleiding 899 390 503 581 601 2975  
% 30,2 13,1 16,9 19,5 20,2    
 De som van de verschillende unieke minderjarigen per typemodule is niet gelijk aan het aantal unieke bereikte minderjarigen in de functie begeleiding (totaal) doordat bij 1 minderjarige verschillende typemodules kunnen worden ingezet in een jaar.

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgeronde mobiele gezinsbegeleidingen in 2015 bedraagt 137 dagen. Deze varieert per typemodule van gemiddeld 21 dagen (3 weken, zeer kort intensief mobiel) tot gemiddeld 217 dagen (7 maanden, lang licht mobiel).

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule (uitgedrukt in dagen)
Typemodule Sector
Kort licht mobiel 60
Lang licht mobiel 217
Zeer kort intensief mobiel 21
Kort intensief mobiel 58
Middellang intensief mobiel 113
Globaal gemiddelde begeleiding 137

Functie: Training RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen in situaties die nog omkeerbaar zijn, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken. De CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 erkende en gesubsidieerde CKG in Vlaanderen.

CKG kunnen binnen deze functie vier typemodules ambulante pedagogische training inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG). Het aanbod is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken, wordt in groep aangeboden en heeft als voornaamste focus het aanleren van vaardigheden op het vlak van ouder-kind interactie en/of sociale vaardigheden bij het kind. Het kan ook worden gekoppeld aan een residentieel verblijf.

De vier typemodules ambulante pedagogische training variëren inzake deelnemers (aantal per groep; kinderen en/of ouders), begeleidingsduur, frequentie van contacten en intensiteit:

  • Ambulante pedagogische training in groepsverband van ouders en kinderen samen: van 1 tot 6 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 2u tot 6u per contact, minimum 8 gezinnen per training;
  • Ambulante pedagogische training in groepsverband van ouders en van kinderen apart: van 1 tot 6 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 6u per contact, minimum 10 kinderen per training;
  • Ambulante pedagogische training van ouders in groepsverband (zonder kinderen): van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 3u per contact, minimum 6 gezinnen per training;
  • Ambulante pedagogische training of begeleiding van ouders individueel: van 1 week tot 3 maand; gemiddeld 1 tot 3 trainingscontacten per week; van 1u tot 3u per contact, ingebed in het leefgroep-gebeuren van het CKG.

De typemodules training vallen grotendeels samen met een viertal specifieke modules of methodieken. In 2015 gaat het over:

  • De Tuimelmodule: bij 70% van de cliënten in de training in groepsverband van ouders en kinderen samen;
  • De module Stop 4-7: bij 96% van de cliënten in de training in groepsverband van ouders en kinderen apart;
  • De module Triple P Level 4: bij 96% van de cliënten in de training van ouders in groepsverband;
  • De module Triple P Level 4: bij 64% van de cliënten in de training van ouders individueel.

Daarnaast kunnen CKG op eigen vraag formeel goedgekeurde weesmodules aanbieden onder de functie training. Een weesmodule is een typemodule, maar geen van bovenstaande. Het betreft een experimenteel of innovatief aanbod waarin een CKG een bepaalde nood aan hulp op een bepaald ogenblik in een bepaalde regio aantoont. In 2015 gaat het over vier weesmodules door vier CKG (o.a. spelcounseling).

De cijfers in dit jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben. De registratie gebeurt steeds bij één kind van het gezin in begeleiding.

Met de ambulante pedagogische trainingen helpen de CKG in 2015 1.548 gezinnen. De CKG richten zich met het trainingsaanbod vooral op gezinnen met kinderen tussen nul en vijf jaar (973 kinderen, 63%) en met kinderen van zes tot elf jaar (545 kinderen, 35%). Met 27 bereikte kinderen is slechts een minderheid 12 jaar, of in het basisonderwijs.

Tabel: Leeftijd unieke minderjarigen in pedagogisch trainingsaanbod, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jarigen 324 218 183 108 140 973 62,9
6-11 jarigen 174 88 120 106 57 545 35,2
12-17 jarigen 13 4 4 3 3 27 1,8
18-21 jarigen           0 0,0
Onbekend 1   1   1 3 0,1
Totaal 512 310 308 217 201 1.548  
% 33,1 20,0 19,9 14,0 13,0    

De meest gebruikte ambulante pedagogische training is de groepstraining van ouders (vnl. Triple P Level 4 groep) met 541 gezinnen en kinderen. Al bereiken ook de overige typemodules heel wat cliënten:

  • 454 kinderen en gezinnen in de groepstraining van ouders en kind apart (vnl. Stop 4-7, trainingsprogramma voor jonge kinderen met gedragsproblemen);
  • 275 kinderen en gezinnen in de groepstraining van ouders en kind samen (vnl. Tuimel, trainingsprogramma voor kwetsbare gezinnen met jonge kinderen met vragen rond het opvoedingsgebeuren);
  • 224 kinderen en gezinnen in de training van ouders individueel (vnl. Triple P Level 4 individueel).

Tenslotte zijn 83 kinderen en gezinnen geholpen met een weesmodule die valt onder ambulante pedagogische training.

Tabel: Aantal unieke gezinnen per typemodule pedagogische training (lopende in 2015)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Groepstraining ouders en kind samen 129 76 17 0 53 275 17,4
Groepstraining ouders en kind apart 96 88 68 90 112 454 28,8
Groepstraining ouders 172 87 138 108 36 541 34,3
Individuele training 72 64 67 20 1 224 14,2
Weesmodule 53 0 23 7 0 83 5,3
Totaal training  512 310 308 217 201 1.548  
% 33,1 20,0 19,9 14,0 13,0    
* De som van de verschillende unieke minderjarigen per typemodule is niet gelijk aan het aantal unieke bereikte minderjarigen in de functie training (totaal) doordat bij 1 minderjarige verschillende typemodules kunnen worden ingezet in een jaar.

De gemiddelde begeleidingsduur van alle afgeronde ambulante pedagogische trainingen in 2015 bedraagt 89 dagen. Deze varieert per typemodule van gemiddeld 59 dagen (groepstraining van ouders) tot gemiddeld 124 dagen (groepstraining van ouders en kinderen samen).

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule individuele training (uitgedrukt in dagen)
Typemodule Sector
Groepstraining ouders en kind samen 124
Groepstraining ouders en kind apart 114
Groepstraining ouders 59
Individuele training 73
Totaal training  89

Functie: Dagopvang RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken. CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 erkende en gesubsidieerde CKG in Vlaanderen.

De CKG kunnen onder deze functie 1 typemodule ambulante dagopvang inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG). Dit aanbod is rechtstreeks toegankelijk, vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken en heeft vooral tot doel opvang overdag te organiseren in het CKG ter ondersteuning van een mobiele begeleiding en ambulante training, met een eigen hulpverlenende finaliteit. De combinatie met een mobiele begeleiding of ambulante training is verplicht, tenzij het gaat om een crisissituatie waarbij ambulante dagopvang volstaat.

De typemodule ambulante dagopvang betekent:

  •   begeleidingsduur van 1 week tot 3 maand;
  •   2 tot 5 opvangdagen per week;
  •   3u tot 8u opvang in het CKG per aanwezigheidsdag.

De cijfers in dit jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben.

In 2015 helpt de ambulante dagopvang van de CKG in totaal 468 kinderen. Dit betreft in negen op de tien gevallen kinderen jonger dan zes jaar.

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in ambulante dagopvang, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jarigen 107 50 99 38 126 420 89,7
6-11 jarigen 17 9 9 0 10 45 9,6
12-17 jarigen  1 1 1 0 0 3 0,6
18-21 jarigen 0 0 0 0 0 0 0,0
Totaal 125 60 109 38 136 468  
% 26,7 12,8 23,3 8,1 29,1    

Gemiddeld verblijven de kinderen overdag 56 dagen ambulant in de CKG.

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule dagopvang
Typemodule Sector
Dagopvang 56

De CKG hebben in 2015 een capaciteit van 101 ambulante opvangplaatsen. Dit slaat op het aantal plaatsen dat bij de start van het jaar wordt voorzien om in te zetten voor dit aanbod. Met 103,3% realiseren de CKG een overbezetting o.b.v. het aantal dagen dat een kind met ambulante opvang in begeleiding is.

Functie: Verblijf RTJ

Een centrum voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG) is een voorziening die hulp biedt aan gezinnen, in al hun diversiteit, met kinderen van 0 tot en met 12 jaar of in het basisonderwijs. Het biedt een tijdelijk hulpaanbod bij opvoedingsproblemen als de situatie nog omkeerbaar is, zodat ouders de opvoeding verder op eigen kracht kunnen aanpakken. De CKG worden erkend en gesubsidieerd door Kind en Gezin. Momenteel zijn er 18 erkende en gesubsidieerde CKG in Vlaanderen.

Onder de functie verblijf (rechtstreeks toegankelijk luik) kunnen de CKG 2 typemodules korte residentiële opvang inzetten, in lijn met hun kernopdracht (zie functie begeleiding, CKG): crisisopvang en zeer korte residentiële opvang. Dit verblijfsaanbod moet steeds worden gecombineerd met gepaste mobiele en/of ambulante gezinsbegeleiding, voor zover mogelijk en in het belang van het kind.

De typemodule crisisopvang:

  • is rechtstreeks toegankelijk;
  • vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken;
  • kan ook in het kader van het crisisnetwerk binnen integrale jeugdhulp worden ingezet. Dat aanbod wordt elders getoond.
  • kan dag en nacht, 7/7 dagen en maximaal gedurende zeven dagen (1 keer verlengbaar) worden ingezet.

De typemodule zeer korte residentiële opvang:

  • is rechtstreeks toegankelijk;
  • vertrekt vanuit de bereidheid van ouders om mee te werken;
  • is vooral gericht op een tijdelijke ontlasting van ouders, ter ondersteuning van de opvoeding thuis;
  • kan dag en nacht, 7/7 dagen en gedurende maximaal zes weken worden ingezet.

De cijfers in dit jaarverslag zijn aangeleverd door de CKG zelf, die de data in hun registratiesysteem in eigen beheer hebben.

In 2015 overnachten in totaal 710 kinderen in de korte residentiële opvang van de CKG (zie onderstaande tabel). In bijna drie op vier van de gevallen gaat het over kinderen jonger dan zes jaar (73%).

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in korte residentiële opvang, per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5 jarigen 101 64 139 51 163 518 73,0
6-11 jarigen 47 31 32 15 60 185 26,1
12-17 jarigen 2 0 1 1 2 6 0,8
18-21 jarigen 0 0 0 0 0 0 0,0
Leeftijd onbekend 0 0 0 0 1 1 0,1
Totaal 150 95 172 67 226 710  
% 21,1 13,4 24,2 9,4 31,8    

In 2015 worden in de CKG 626 kinderen zeer kort opgevangen: de grootste groep binnen de rechtstreeks toegankelijke residentiële opvang. Met de crisisopvang die niet via het crisismeldpunt van integrale jeugdhulp wordt georganiseerd, zijn 85 kinderen geholpen.

Tabel: Aantal unieke minderjarigen per typemodule korte residentiële opvang (lopende in 2015)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant- Brussel West-Vlaanderen Totaal %
Crisisopvang regulier 32 3 5 0 45 85 12,0
Zeer korte opvang 118 93 167 67 181 626 88,0
Totaal 150 96 172 67 226 710  
% 21,1 13,4 24,2 9,4 31,8    
 De som van de verschillende unieke minderjarigen per typemodule is niet gelijk aan het aantal unieke bereikte minderjarigen in de functie verblijf (totaal) doordat bij 1 minderjarige verschillende typemodules kunnen worden ingezet in een jaar.

 

De gemiddelde begeleidingsduur in het rechtstreeks toegankelijk residentieel verblijfsaanbod bedraagt voor de zeer korte opvang 23 dagen en in de crisisopvang 8 dagen.

Tabel: Gemiddelde begeleidingsduur per afgeronde typemodule korte residentiële opvang (uitgedrukt in dagen)
Typemodule Sector
Crisisopvang 8
Zeer korte opvang 23

De CKG hebben in 2015 een capaciteit van 96 korte residentiële opvangplaatsen (zowel crisisopvang regulier als zeer korte opvang). Dit slaat op het aantal plaatsen dat bij de start van het jaar wordt gepland om in te zetten voor dit aanbod. De CKG realiseren een bezetting 75,3% o.b.v. het aantal dagen dat een kind met korte residentiële opvang in begeleiding was.

Vertrouwenscentra kindermishandeling

De vertrouwenscentra kindermishandeling (VK) bieden casusgebonden ondersteuning aan professionelen inzake het omgaan met kindermishandeling. Die ondersteuning bestaat uit een waaier aan mogelijkheden:

  • advies of consult, coaching, begeleiding;
  • al dan niet met rechtstreekse tussenkomst in het betrokken gezin(nen);
  • van een eenmalig contact tot een meer langdurig en intensief traject.

Dit aanbod is de reguliere werking van een VK. Alles wat hierbinnen gebeurt, start vanuit een melding, nl. elke casusgebonden contactname met het VK waaraan een bepaald gevolg wordt gegeven.

De cijfergegevens komen uit het VK e-dossier, het dossier- en registratiesysteem van de VK. Kind en Gezin beheert het rapporteringssysteem hiervan. Waar nodig zijn deze cijfers aangevuld en/of vergeleken met cijfers uit het ‘Domino Voorportaal’, de webapplicatie die instaat voor het invullen en verzenden van het elektronische motivatiedocument (M-document) door jeugdhulpaanbieders.

Voor 2015 gelden de volgende basiscijfers:

  • Totaal aantal meldingen: 6.922
  • Totaal aantal betrokken unieke kinderen: 8.885
  • Totaal aantal kindregistraties: 9.646

Bovenstaande cijfers omvatten ook de meldingen in het kader van een onderzoek maatschappelijke noodzaak. Voor meer toelichting en cijfers daarover, zie ‘gemandateerde voorzieningen’.

Het VK registreert elke melding aan de hand van een indeling volgens type melding: nl. advies, dossier en mano aanmelding (maatschappelijke noodzaak). Het gaat nog om een indicatieve kwalificatie door elk VK, niet gebonden aan strikte, inhoudelijke criteria. Het rapport biedt wel een algemeen inzicht in de onderlinge verhoudingen tussen de diverse types van meldingen.

Bijna twee derde van de meldingen bij het VK leidt tot advies geven. 8,54% van de meldingen gaat om meldingen tot onderzoek mano en bij bijna 2.000 meldingen (28,27%) is er sprake van een ‘dossier’, waarbij het VK vanuit haar reguliere werking een actieve rol opneemt in de hulpverlening, met tussenkomst in de betrokken gezinnen.

Tabel: Aantal aanmeldingen volgens type melding
  Advies Dossier Mano aanmelding Totaal
Antwerpen 1.589 316 101 2.006
Brussel 361 131 31 523
Limburg 655 205 105 965
Oost-Vlaanderen 635 487 121 1243
Vlaams-Brabant 691 386 113 1.190
West-Vlaanderen 443 432 120 995
Totaal: 4.374 1.957 591 6.922
Procent: 63,19% 28,27% 8,54% 100%

Onderstaande tabel geeft een overzicht van alle aanmelders bij het VK in 2015. Dit toont een andere indeling dan het soort aanmelders bij de instroom als gemandateerde voorziening. Er is dus een grote diversiteit aan aanmelders.

Een kwart van alle meldingen komt uit een (buiten)schoolse voorziening, waarbij het CLB de grootste melder is (20,14%). Welzijnsorganisaties en personen of diensten uit de gezondheidszorg zijn samen goed voor ongeveer 40% van de meldingen. De meldingen vanuit justitiële instanties zijn goed voor 5,62% van de meldingen, waarbij het vooral gaat om een kennisgeving met het oog op het uitvoeren van een onderzoek maatschappelijke noodzaak (mano).

Tabel: Wie meldt aan?
  Aantal meldingen Percentage:
Schoolse en buitenschoolse voorziening 1.754 25,34%
                      -Waaronder CLB 1.394 20,14%
Welzijnsorganisaties 1.370 19,79%
                                  -Waaronder dienst CAW 274 3,96%
                                             -Waaronder voorziening VAPH 241 3,48%
                                                   -Waaronder preventieve zorg K&G 194 2,80%
Hulplijn 1712 456 6,59%
Gezondheidszorg  (inclusief GGZ) 1.313 18,97%
                            -Waaronder huisarts 220 3,18%
Voorzieningen Jongerenwelzijn (inclusief OCJ en SDJ) 490 7,08%
Justitiële instanties (politie, parket, …) 389 5,62%
Voorschoolse voorziening (kinderopvang, (dienst voor) onthaalouders) 90 1,30%
Primaire omgeving van het kind (moeder, vader, oma, …) 997 14,40%
Persoon uit omgeving van de dader 14 0,20%
Onbekend 46 0,66%
Niet ingevuld 3 0,04%
Totaal: 6.922 100%

 

Jongerenwelzijn

Rechtstreeks en niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp

Jongerenwelzijn organiseert via verschillende kanalen een aanbod voor kinderen, jongeren en ouders met ernstige of langdurige problemen. Eén van deze kanalen zijn de private voorzieningen. Voorzieningen binnen de bijzondere jeugdzorg worden door Jongerenwelzijn erkend en gesubsidieerd. Zij organiseren hulpverlening – residentieel, ambulant of mobiel - voor kinderen en jongeren in verontrustende situaties (VOS) of die een als misdrijf omschreven feit (MOF) hebben gepleegd. Het aanbod bevat ook pleegzorg.

Het aanbod van deze voorzieningen wordt georganiseerd aan de hand van modules:

  • De organisaties voor bijzondere jeugdbijstand (OVBJ), de diensten voor pleegzorg en de centra voor integrale gezinszorg (CIG) bieden zowel rechtstreeks als niet-rechtstreeks toegankelijke modules aan;
  • De diensten voor crisishulp aan huis (cah) hebben een aanbod dat volledig via het crisismeldpunt wordt ingevuld;
  • De onthaal-, oriëntatie- en observatiecentra (OOOC) hebben enkel niet-rechtstreeks toegankelijke modules, maar voorzien binnen dit aanbod crisisbegeleiding en –opvang vanuit het crisismeldpunt;
  • De diensten voor herstelgerichte en constructieve afhandeling (hca) bieden een gerechtelijk, niet-gemoduleerd aanbod voor minderjarigen.

Het jaarverslag geeft per soort voorziening telkens eerst een algemeen deel met informatie over het volledige aanbod, de capaciteit, de bezetting, het aantal dossiers en cliënten en de combinaties met ander aanbod. Aangezien deze gegevens zowel het rechtstreeks als het niet-rechtstreeks toegankelijke aanbod omvatten, wordt dit deel bij beide hoofdstukken herhaald.

Na het algemene deel worden specifieke gegevens getoond over de minderjarigen en meerderjarige pleeggasten die rechtstreeks instromen in het aanbod van de OVBJ, diensten voor pleegzorg of CIG.

In eenzelfde dossier kan een minderjarige– op basis van wijzigende noden – overgaan van een rechtstreeks toegankelijk aanbod naar een niet-rechtstreeks toegankelijk aanbod (al dan niet in combinatie met rechtstreeks toegankelijke modules). De informatie over deze dossiers is opgenomen in onderstaande tabellen. Zij worden niet meer meegeteld bij de tabellen over het crisisaanbod of de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp. Om de totale populatie van de voorzieningen in 2015 te kennen, kunnen de tabellen van RTJ, crisisaanbod en NRTJ worden opgeteld.   

Sinds 1 januari 2015 registreren de door Jongerenwelzijn erkende en vergunde voorzieningen in het vernieuwde registratiesysteem Binc (Begeleiding in cijfers). Dit betekent dat de cijfers handelen over een eerste registratiejaar en hier en daar mogelijk nog bijgestuurd moeten worden. Vergelijking met voorgaande jaren is dus niet overal mogelijk. De hca-diensten registreren nog in de oorspronkelijke Binc aangezien de veranderingen in functie van integrale jeugdhulp niet voor hen van toepassing zijn en er voor hen dus geen grondige wijzigingen moesten gebeuren.

Organisatie voor bijzondere jeugdzorg

Algemeen

Een organisatie voor bijzondere jeugdzorg (OVBJ) is erkend op basis van typemodules. Elke OVBJ heeft een erkenning voor contextbegeleiding. Daarnaast kan een OVBJ een bijkomende erkenning hebben voor modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, modules dagbegeleiding in groep, verblijfsmodules en modules ondersteunende begeleiding.

Een OVBJ met een erkenning voor de modules contextbegeleiding en modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen, kan - op basis van de reële noden van de gebruikers - zelf de verhouding tussen het effectief aantal ingezette modules contextbegeleiding en contextbegeleiding in functie van autonoom wonen bepalen.

  • Contextbegeleiding is de centrale module van elk OVBJ. Het omvat de vroegere thuisbegeleiding, gezinsbegeleiding, netwerkbegeleiding … Dit zijn alle begeleidingscontacten in het netwerk van de jongere die gekoppeld zijn aan hulpverleningsdoelstellingen, inclusief contacten met school, CLB, de sociaal werker, de vertrouwenspersoon van de jongere, de trainer van de sportclub …
  • Contextbegeleiding in functie van autonoom wonen omvat de vroegere erkenningen voor begeleid zelfstandig wonen (bzw). Vroeger werd bzw vaak georganiseerd vanuit een begeleidingstehuis; nu is dat een aparte module, vertrekkend vanuit contextbegeleiding.
  • Dagbegeleiding in groep omvat het begeleidingsaanbod van de vroegere dagcentra, bestaat uit verschillende componenten (schoolbegeleiding, groepswerking, training) en loopt zowel in school- als vakantieperiodes. Ze focust op de grote meerwaarde van een laagdrempelige, contextgerichte begeleiding in groep. Dagbegeleiding wordt niet gezien als schoolvervangend, wel als naschools en ondersteunend.
  • Verblijf omvat de begeleiding van een jongere in een organisatie, inclusief overnachting. Hieraan wordt steeds een module contextbegeleiding gekoppeld. Door het dynamisch beheer van de residentiële capaciteit, kunnen voorzieningen crisisverblijf aanbieden voor jongeren (al dan niet uit de eigen organisatie). Er is een onderscheid tussen een module 1-3 nachten en een module 4-7 nachten, al dan niet in een 1bis voorziening. Daarnaast is ook kamertraining mogelijk.
  • Ondersteunende begeleiding omvat de pedagogische projecten, time out, ontheming … Deze kunnen ingezet worden los van of gekoppeld aan andere modules, altijd met het doel om breuken in een lopend hulpverleningstraject te vermijden. Een organisatie die deze module aanbiedt, kan dagelijks gemiddeld 12 jongeren gedurende 2 weken begeleiden. Men kan dus de ene jongere een kort project van 2 dagen aanbieden en een andere een project van 3 weken.

Daarnaast hebben verschillende OVBJ een engagement in de crisisnetwerken, onder de vorm van de modules crisisopvang en/of crisisbegeleiding. Deze modules kunnen enkel ingezet worden op verwijzing van het crisismeldpunt.

Capaciteit

Tabel: Erkende capaciteit in modules OVBJ
  31/12/15
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding i.f.v. positieve heroriëntering (RTJ) 439
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding laagintensief (RTJ) 3.994
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding breedsporig (RTJ) 1.297
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding kortdurend intensief (NRTJ) 331
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding i.f.v. autonoom wonen basisintensiteit (NRTJ) 282
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg contextbegeleiding i.f.v. autonoom wonen middenintensiteit (NRTJ) 474
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg dagbegeleiding in groep (RTJ) 635
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg verblijf (NRTJ) 2.906
Organisaties voor bijzondere jeugdzorg ondersteunende begeleiding (RTJ) 85

De erkende capaciteit voor de OVBJ wordt uitgedrukt in inzetbare modules. In 2015 komen er 13 modules contextbegeleiding laagintensief en 3 modules contextbegeleiding in functie van autonoom wonen basisintensiteit bij, door de regularisatie van een aantal projecten. De sector kent ook een uitbreiding met 439 modules contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering. Deze nieuwe typemodule is ontstaan vanuit een regionale goede praktijk en geïmplementeerd in heel Vlaanderen.

De belangrijkste wijziging in de capaciteit is het rechtstreeks toegankelijk worden van de typemodules contextbegeleiding (met uitzondering van contextbegeleiding kortdurend intensief), de typemodule dagbegeleiding in groep en de typemodule ondersteunende begeleiding.

Bezetting

Tabel: Bezetting OVBJ
OVBJ 92%
Verblijf 95%
Contextbegeleiding breedsporig 119%
Contextbegeleiding in functie van autonoom wonen 88%
Contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering 21%
Contextbegeleiding laagintensief 90%
Contextbegeleiding kortdurend intensief 74%

De bezettingsgraad is een percentage dat aangeeft in welke mate de totaal beschikbare capaciteit - van een module - daadwerkelijk bezet wordt gedurende een bepaalde periode. Dit percentage wordt bepaald door de effectieve inzet te delen door de beschikbare capaciteit in die periode.

De gemiddelde bezetting van de OVBJ is 92%. Dit gemiddelde is zonder de typemodules ondersteunende begeleiding en dagbegeleiding in groep:

  • Voor ondersteunende begeleiding zijn er in de loop van 2015 wijzigingen inzake registratie, waardoor het bezettingscijfer niet wordt meegenomen in de rapportage;
  • Voor dagbegeleiding in groep loopt momenteel een experimentele fase voor het berekenen van de bezetting, waardoor het bezettingscijfer niet wordt meegenomen in de rapportage.

Verder zijn er verschillen in de gemiddelde bezetting tussen de verschillende typemodules van de OVBJ. Zo heeft de lage bezetting van de typemodule contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering alles te maken met de opstart van dit aanbod en de investeringen van de organisaties in opleidingen en bekendmaking doorheen 2015.

De gemiddelde bezetting van de OVBJ in 2014 is 94%, dat is 2% hoger dan in 2015:

  • De typemodules verblijf en contextbegeleiding blijven stabiel in 2015 ten opzichte van 2014;
  • De module contextbegeleiding in functie van autonoom wonen daalt van 96% in 2014 naar 88% in 2015;
  • De lagere bezetting voor de module autonoom wonen wordt gecompenseerd door de hogere bezetting voor de module contextbegeleiding breedsporig (119%).
  • De lage bezetting van contextbegeleiding in functie van positieve heroriëntering - ten gevolge van de opstart - en het niet meetellen van de bezetting van dagbegeleiding in groep en ondersteunende begeleiding, heeft ook een impact op de gemiddelde bezetting van de OVBJ.

De opstart van de intersectorale toegangspoort en de verschuiving van een deel van het aanbod van niet-rechtstreeks naar rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp lijken geen impact te hebben op de bezetting van de voorzieningen.

Aantal dossiers

Tabel: Aantal dossiers en aantal unieke cliënten OVBJ
  opgestarte dossiers afgesloten dossiers alle dossiers
Dossiers 5.747 4.819 11.536
Unieke cliënten 5.107 4.416 10.248

In 2015 zijn in totaal 11.536 dossiers door OVBJ geregistreerd:

  • 5.747 dossiers zijn opgestart in 2015 (en nog niet afgerond);
  • 4.819 dossiers zijn vóór 2015 opgestart en in 2015 afgesloten;
  • 970 dossiers zijn opgestart vóór 2015 en nog lopende na 2015.

Het aantal dossiers van de OVBJ vergeleken met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (21.099 dossiers), toont aan dat de OVBJ 55% vertegenwoordigen. 

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde periode voor een minderjarige. Een minderjarige kan opeenvolgend of tegelijk in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Vandaar dat het zinvol is ook te kijken naar het aantal unieke cliënten (op basis van rijksregisternummer) die zijn geregistreerd. Voor alle soorten voorzieningen in Binc is er een totaal van 17.599 unieke cliënten (ten opzichte van 21.099 dossiers). Voor de OVBJ is dit een totaal van 10.248 unieke cliënten (ten opzichte van 11.536 dossiers).

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod OVBJ
Combinatie met: OVBJ   
 JWZ 703 14,6
 AWW 10 0,2
 CGG 97 2,0
 CLB 151 3,1
 VAPH 113 2,3
 K&G 28 0,6
 crisishulpprogramma 143 3,0
 onbekend 12 0,2
 niet van toepassing 3.432 71,2
 geen eindregistratie beschikbaar 263 5,5
Totaal 4.819  

In de meeste afgesloten dossiers is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp. Vindt er doorheen het traject van de minderjarige wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn. Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal in deze tabel groter dan het aantal afgesloten dossiers.

Specifieke gegevens over cliënten die rechtstreeks instromen in een OVBJ

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in OVBJ – RTJ (aanmelder), per leeftijdscategorie (opgestarte dossiers)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5j 100 38 74 71 76 359 11,2
6-11j 260 100 132 170 147 809 25,2
12-17j 599 239 299 402 459 1.998 62,2
18-21j 8 3 1 14 10 36 1,1
onbekend 2 1 1 4 0 8 0,3
Totaal 969 381 507 661 692 3.210 100
% 30,2 11,9 15,8 20,6 21,5 100  

De meeste minderjarigen die rechtstreeks worden aangemeld bij een OVBJ zijn tussen 12 en 18 jaar. Ze stromen in het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de OVBJ in, voor een aanbod van dagbegeleiding in groep, contextbegeleiding en/of ondersteunende begeleiding, of ze worden aangemeld via het crisisnetwerk. De tabel toont het aantal unieke cliënten van de opgestarte dossiers.

Tabel: Overzicht aanmelders voor OVBJ – RTJ (aanmelder) (opgestarte dossiers)
Aanmelder Aantal dossiers %
Jongere/gezin 165 4,90%
Pleeggezin 14 0,40%
VAPH 50 1,50%
K&G 40 1,20%
CGG 74 2,20%
CAW 63 1,90%
CLB 718 21,10%
BJB 289 8,50%
OCJ 471 13,90%
VK 67 2,00%
Huisarts 2 0,10%
Prive-psycholoog/psychiater 35 1,00%
Crisismeldpunt 376 11,10%
Jeugdrechtbank 553 16,30%
Andere 402 11,80%
Totaal 3.396 100,00%

21% van de rechtstreekse aanmeldingen gebeurt door de CLB. In 16% van de dossiers meldt de jeugdrechtbank de jongere aan bij de organisatie. De tabel betreft het aantal opgestarte dossiers.

Tabel: Begeleidingsduur in OVBJ – RTJ (aanmelder) (van afgesloten dossiers)
Begeleidingsduur (dagen) Aantal dossiers %
0-28 658 34%
29-60 166 9%
61-120 288 15%
121-180 321 17%
181-365 359 18%
366-730 85 4%
>730 68 3%

De gemiddelde begeleidingsduur van de afgesloten dossiers die rechtstreeks aangemeld zijn bij een OVBJ is 158 dagen. Een derde van de dossiers heeft een begeleidingsduur tussen 0 en 28 dagen. Dit zijn hoofdzakelijk dossiers met crisisopvang en/of -begeleiding, time-out of kortdurend crisisverblijf. De helft van de afgesloten dossiers kent een begeleidingsduur tussen 2 en 12 maanden.

Tabel: Vervolghulpverlening aangewezen bij OVBJ – RTJ (aanmelder) (afgesloten dossiers) en realisatie
  Wel gerealiseerd Niet gerealiseerd Deels gerealiseerd Op wachtlijst Onbekend Nvt Totaal %
Onbekend         216   216 9,9
Geen vervolghulp            572 572 26,2
JWZ 297 76 124 126 75   698 32,0
Buiten JWZ 333 93 133 75 60   694 31,8
Totaal 630 169 257 201 351 572 2.180 100,0
% 28,9 7,8 11,8 9,2 16,1 26,2 100,0  

De som van alle cijfers geeft niet het aantal afgesloten dossiers, daar voor een jongere zowel vervolghulp binnen als buiten Jongerenwelzijn kan aangeduid zijn (voor de categorie "buiten JWZ" kunnen meerdere categorieën aangeduid worden).

Tabel: Verdeling vervolghulpverlening buiten Jongerenwelzijn, per sector, OVBJ
Sector %
VAPH 2,40%
GGZ 13,80%
K&G 2,10%
AWW 2,30%
CLB 10,80%
Andere 14,60%
Onbekend 54,0% 

Bij het afsluiten van een dossier binnen een OVBJ, is meestal vervolghulp nodig. Wanneer vervolghulp wenselijk is, is dit ongeveer even vaak binnen als buiten Jongerenwelzijn. Vervolghulp buiten Jongerenwelzijn is vooral hulp buiten de sectoren van integrale jeugdhulp (‘andere’) en geestelijke gezondheidszorg. Er kunnen meerdere mogelijkheden per dossier geregistreerd worden.

Daarnaast wordt geregistreerd of de vervolghulp al of niet gerealiseerd is, deels gerealiseerd is (dan zijn meerdere antwoordmogelijkheden in de vervolghulp aangeduid, en is een deel wel en een deel niet gerealiseerd), of wanneer de minderjarige op de wachtlijst staat van de nodige vervolghulp.

Voor deze dossiers is steeds iets minder dan de helft van de vervolghulp effectief gerealiseerd.

In de loop van 2015 is voor dossiers met een specifieke aanmelding - zoals time-out of crisis - de registratie van de vervolghulpverlening optioneel, om de registratielast voor deze dossiers te beperken. Dit maakt dat een deel van de registratie onbekend is.

Pleegzorg

Algemeen

De diensten voor pleegzorg zijn vergund om de volgende modules aan te bieden:

  • Ondersteunende pleegzorg is pleegzorg ter ondersteuning van het gezin van het pleegkind of de pleeggast, hetzij voor een korte aaneengesloten periode, hetzij met afwisselend verblijf;
  • Perspectiefzoekende pleegzorg is pleegzorg gedurende een periode van maximaal zes maanden, één keer verlengbaar met zes maanden, waarbij een duidelijk perspectief voor het pleegkind of pleeggast ontwikkeld wordt;
  • Perspectiefbiedende pleegzorg is pleegzorg met een continu en langdurig karakter;
  • Behandelpleegzorg is een vorm van pleegzorg waarbij een dienst voor pleegzorg voorziet in een behandeling voor een pleegkind of pleeggast, of in een intensieve training en begeleiding van de pleegzorger.

De diensten voor pleegzorg richten zich ook tot meerderjarige pleeggasten. Pleegzorg voor pleeggasten is altijd rechtstreeks toegankelijk.

Capaciteit pleegzorg

Pleegzorg kent geen programmatie en wordt niet uitgedrukt in capaciteit. De inzet van de verschillende modules of vormen van pleegzorg op 31/12/2015 geeft een indicatie van de grootte van het aanbod.

Tabel: Inzet pleegzorg
  31/12/14 31/12/15
Vormen van pleegzorg  Totaal Percentage Totaal Percentage
Ondersteunend 419 8% 503 9%
Perspectiefbiedend 4.565 86% 4.755 84%
Perspectiefzoekend 341 6% 399 7%
TOTAAL 5.325 100% 5.657 100%

Op 31/12/2015 zijn er 5.657 pleegzorgsituaties, dat is een stijging met 332 pleegzorgsituaties (+ 6%) t.o.v. het jaar ervoor. De grootste groep vormt de perpectiefbiedende pleegzorg met 4.755 pleegzorgsituaties (84%). De ondersteunende pleegzorg (9%) en de perspectiefzoekende pleegzorg (7%) vormen een minderheid van de pleegzorgsituaties.  

In vergelijking met 2014 blijven de verhoudingen tussen de verschillende vormen van pleegzorg ongeveer stabiel.

Crisisopvang wordt binnen pleegzorg weinig ingezet en mondt meestal uit in de andere vormen van pleegzorg. In 2015 is het 298 keren ingezet.

In totaal zijn er 403 pleeggasten boven de 21 jaar, dat zijn er 17 meer dan op 31/12/2014.

Behandelingspleegzorg wordt op 31/12/2015 ingezet bij 546 pleegkinderen of –gasten die gebruik maken van  perspectiefzoekende of perspectiefbiedende pleegzorg. Een vergelijking met 2014 is niet mogelijk omdat behandelingspleegzorg toen nog volop in ontwikkeling was.

Aangezien voor pleegzorg geen capaciteit bepaald is, wordt hiervoor geen bezettingspercentage berekend.

Aantal dossiers

Tabel: Aantal dossiers en aantal unieke jongeren pleegzorg
  opgestarte dossiers afgesloten dossiers alle dossiers
Dossiers 1.447 967 6.761
Unieke jongeren 1.354 909 6.534

In 2015 worden in totaal 6.761 dossiers door de diensten voor pleegzorg geregistreerd in Binc (Begeleiding in cijfers), het registratiesysteem van de private voorzieningen erkend en vergund door Jongerenwelzijn:

  • 1.447 dossiers zijn opgestart in 2015 (en nog niet afgerond);
  • 967 dossiers zijn vóór 2015 opgestart en in 2015 afgesloten;
  • 4.347 dossiers zijn opgestart vóór 2015 en nog lopende na 2015.

Het aantal dossiers ingevoerd door de diensten voor pleegzorg vergeleken met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (21.099 dossiers), toont aan dat pleegzorg 32% vertegenwoordigt. 

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde periode voor een cliënt. Een cliënt kan opeenvolgend of tegelijk in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Vandaar dat het zinvol is ook te kijken naar het aantal unieke cliënten (op basis van rijksregisternummer) die worden geregistreerd. Voor alle soorten voorzieningen in Binc zijn er in totaal 17.599 unieke cliënten (ten opzichte van 21.099 dossiers). Voor de diensten voor pleegzorg is dit een totaal van 6.534 unieke cliënten (ten opzichte van 6.761 dossiers).

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod pleegzorg
Combinatie met: Pleegzorg %
JWZ 201 20,8
AWW 3 0,3
CGG 12 1,2
CLB 19 2,0
VAPH 40 4,1
K&G 22 2,3
crisishulpprogramma 11 1,1
onbekend 0 0,0
niet van toepassing 659 68,1
geen eindregistratie beschikbaar 32 3,3
Totaal 967 100,0

Voor het merendeel van de afgesloten dossiers van pleegzorg is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp. Vindt er doorheen het traject van de minderjarige wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn. Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal in deze tabel groter dan het aantal afgesloten dossiers.

Specifieke gegevens over cliënten die rechtstreeks instromen in pleegzorg

Tabel: Aantal unieke minderjarigen en meerderjarigen in pleegzorg – RTJ (aanmelder) (opgestarte dossiers)
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West-Vlaanderen Totaal %
0-5j 129 34 57 48 32 300 48,3
6-11j 54 10 32 16 30 142 22,9
12-17j 59 10 20 5 29 123 19,8
18-21j 3 2 5 3 3 16 2,6
> 21j 11 2 11 7 8 39 6,3
Onbekend 0 0 0 1 0 1 0,2
Totaal 256 58 125 80 102 621 100,0
% 41,2 9,3 20,1 12,9 16,4 100,0  

Bij de diensten voor pleegzorg zijn de meeste minderjarigen die rechtstreeks worden aangemeld voor pleegzorg tussen 0 en 5 jaar. De provincie Antwerpen telt het grootste aantal aanmeldingen. Er zijn 55 pleeggasten (+18 jaar) rechtstreeks aangemeld bij pleegzorg. De tabel betreft het aantal unieke cliënten van de opgestarte dossiers.

Tabel: Overzicht aanmelders voor pleegzorg – RTJ (aanmelder) (opgestarte dossiers)
Aanmelder Aantal %
Jongere/gezin 169 25%
Pleeggezin 32 5%
VAPH 27 4%
K&G 15 2%
CGG 2 0%
CAW 5 1%
CLB 19 3%
OCJ 50 8%
VK 14 2%
School 3 0%
Politie/parket 1 0%
Huisarts 0 0%
Prive-psycholoog/psychiater 0 0%
Crisismeldpunt 3 0%
Jeugdrechtbank 171 26%
Andere 124 19%
Totaal 666 100%

Een kwart van de rechtstreekse aanmeldingen voor pleegzorg gebeurt door de jeugdrechtbank. In een kwart van de pleegzorgsituaties melden de minderjarige en zijn gezin rechtstreeks aan bij de dienst voor pleegzorg. De tabel betreft het aantal opgestarte dossiers.

Tabel: Begeleidingsduur in pleegzorg – RTJ (aanmelder) (van afgesloten dossiers)
Begeleidingsduur (dagen) Aantal %
0-28 137 33%
29-60 58 14%
61-120 39 9%
121-180 44 10%
181-365 51 12%
366-730 42 10%
>730 50 12%

De gemiddelde begeleidingsduur van dossiers met rechtstreekse aanmelding voor pleegzorg is iets meer dan een jaar (389 dagen). Een derde van de begeleidingen duurt minder dan 29 dagen. 22% duurt langer dan een jaar. De meerderjarige pleeggasten zijn hier ook in gevat en trekken mogelijk de gemiddelde begeleidingsduur op. Anderzijds zijn de pleegzorgdiensten gefusioneerd in 2014 en is daardoor een vertekening in de registratie mogelijk, door al langer lopende begeleidingen de start van de fusie als begindatum te geven.

Tabel: Vervolghulpverlening aangewezen bij pleegzorg – RTJ (aanmelder) (afgesloten dossiers) en realisatie
  Wel gerealiseerd Niet gerealiseerd Deels gerealiseerd Op wachtlijst Onbekend Nvt Totaal %
Onbekend         26   26 4,8
Geen vervolghulp            75 75 13,8
JWZ 104 25 52 21 31   233 43,0
Buiten JWZ 88 23 48 16 33   208 38,4
Totaal 192 48 100 37 90 75 542 100,0
% 35,4 8,9 18,5 6,8 16,6 13,8 100,0  

De som van alle cijfers geeft niet het aantal afgesloten dossiers, daar voor een jongere zowel vervolghulp binnen als buiten Jongerenwelzijn kan aangeduid zijn (voor de categorie "buiten JWZ" kunnen meerdere categorieën aangeduid worden).

Tabel: Verdeling vervolghulpverlening buiten Jongerenwelzijn, per sector, pleegzorg
Sector %
VAPH 3,0
GGZ 12,6
K&G 8,5
AWW 3,0
CLB 11,9
Andere 28,9
Onbekend 32,2
  100,0

Bij het afsluiten van dossiers binnen pleegzorg met rechtstreekse aanmelding, wordt vooral vervolghulp binnen Jongerenwelzijn als wenselijk geregistreerd. Wanneer vervolghulp buiten Jongerenwelzijn nodig wordt geacht, gaat het vooral over hulp buiten integrale jeugdhulp (‘andere’). Er kunnen meerdere mogelijkheden per dossier geregistreerd worden.

Daarnaast wordt geregistreerd of de vervolghulp al dan niet gerealiseerd is, deels gerealiseerd is (dan zijn meerdere antwoordmogelijkheden in de vervolghulp aangeduid, en is een deel wel en een deel niet gerealiseerd), of wanneer de minderjarige op de wachtlijst staat van de nodige vervolghulp.

Voor deze dossiers is steeds iets minder dan de helft van de vervolghulp effectief gerealiseerd.

Wanneer de registratie voor vervolghulp onbekend is, betekent dit dat de eindregistratie niet verplicht is (o.a. bij meerderjarige pleeggasten).

Centra voor integrale gezinszorg

Algemeen

De centra voor integrale gezinszorg (CIG) zijn voorzieningen die zorgen voor de begeleiding en het verblijf van ouders (al dan niet alleenstaand) en hun kinderen, en van aanstaande ouders, bij wie de gezinscohesie, de zorg voor de komende generatie en de maatschappelijke integratie in het gedrang komen of al verstoord zijn. De opvang en begeleiding door de CIG is gericht op het verbeteren van de opvoedingscontext en van de relationele, individuele, familiale en maatschappelijke context en heeft finaal als doel de maatschappelijke integratie.

De CIG zijn erkend op basis van de typemodules contextbegeleiding, verblijf van gemiddeld een tot drie nachten per week en verblijf van gemiddeld vier tot zeven nachten per week.

Daarnaast hebben verschillende CIG een engagement in de crisisnetwerken, onder de vorm van modules crisisopvang en/of crisisbegeleiding. Deze modules kunnen enkel ingezet worden op verwijzing van het crisismeldpunt.

Erkende capaciteit

Tabel: Capaciteit CIG
Erkende capaciteit in modules 31/12/15
Centra integrale gezinszorg verblijf (NRTJ) 126
Centra integrale gezinszorg contextbegeleiding (RTJ) 223

De erkende capaciteit voor de CIG wordt uitgedrukt in inzetbare modules.

Bezetting

Tabel: Bezetting per typemodule CIG
Typemodule Bezetting
Centra voor integrale gezinszorg (CIG) 91%
Contextbegeleiding voor (aanstaande) ouder(s) en kind(eren) 90%
Verblijf 92%

De bezettingsgraad is een percentage dat aangeeft in welke mate de totaal beschikbare capaciteit - van een module - daadwerkelijk bezet wordt gedurende een bepaalde periode. Dit percentage wordt bepaald door de effectieve inzet te delen door de beschikbare capaciteit in die periode.

De CIG hebben een gemiddelde bezetting van 91%, en ongeveer een gelijke bezetting tussen verblijf en contextbegeleiding. De bezetting is over de hele lijn vergelijkbaar met 2014.

De opstart van de intersectorale toegangspoort en de verschuiving van een deel van het aanbod van niet-rechtstreeks naar rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp lijken geen impact te hebben op de bezetting van de voorzieningen.

Aantal dossiers

Tabel: Aantal dossiers CIG
  opgestarte dossiers afgesloten dossiers alle dossiers
Dossiers 250 232 460
Unieke jongeren 245 228 451

In 2015 worden in totaal 460 dossiers door de CIG geregistreerd:

  • 250 dossiers worden opgestart in 2015;
  • 232 dossiers worden vóór 2015 opgestart en in 2015 afgesloten;
  • 22 dossiers worden zowel opgestart als afgesloten in 2015, waardoor deze zowel bij de opgestarte als bij de afgesloten dossiers geteld zijn.

Het aantal dossiers ingevoerd door de CIG vergeleken met het totaal aantal dossiers ingevoerd door alle soorten voorzieningen in Binc (21.099 dossiers), toont dat de CIG 2% vertegenwoordigen. 

Een dossier is een aaneengesloten periode van hulpverlening in eenzelfde periode voor een cliënt. Een cliënt kan opeenvolgend of tegelijk in verschillende organisaties meerdere dossiers hebben. Vandaar dat het zinvol is te kijken naar het aantal unieke cliënten (op basis van rijksregisternummer) die worden geregistreerd. Voor alle soorten voorzieningen in Binc zijn er in totaal 17.599 unieke cliënten (ten opzichte van 21.099 dossiers). Voor de CIG is dit een totaal van 451 unieke cliënten (ten opzichte van 460 dossiers).

Tabel: Aantal afgesloten dossiers naar combinatie gemoduleerd aanbod voor CIG
Sector Aantal %
JWZ 39 16,8
AWW 5 2,2
CGG 6 2,6
CLB 4 1,7
VAPH 11 4,7
K&G 18 7,8
crisishulpprogramma 1 0,4
onbekend 0 0,0
niet van toepassing 165 71,1
geen eindregistratie beschikbaar 0 0,0
Totaal 232 100,0

Voor het merendeel van de afgesloten dossiers is er geen gelijktijdige combinatie met een ander gemoduleerd aanbod binnen integrale jeugdhulp. Vindt er doorheen het traject van de minderjarige wel een combinatie met ander gemoduleerd aanbod plaats, dan is dat meestal met een andere voorziening erkend of vergund door Jongerenwelzijn. Aangezien er meerdere antwoordmogelijkheden zijn, is het totaal in deze tabel groter dan het aantal afgesloten dossiers.

Specifieke gegevens over cliënten die rechtstreeks instromen in een CIG

Tabel: Aantal unieke minderjarigen in CIG – RTJ (aanmelder) (opgestarte dossiers), per leeftijdscategorie
  Antwerpen Limburg Oost-Vlaanderen Vlaams-Brabant -Brussel West-Vlaanderen   %
0-5j 33 7 0 11 40 91 70,0
6-11j 3 3 0 1 6 13 10,0
12-17j 2 1 2 0 1 6 4,6
18-21j 0 0 2 0 0 2 1,5
> 21j 0 0 1 0 0 1 0,8
ongeboren kind 1 3 0 6 7 17 13,1
Totaal 39 14 5 18 54 130 100,0
% 30,0 10,8 3,8 13,8 41,5 100,0  

70% van de aangemelde minderjarigen bij de CIG zijn tussen 0 en 5 jaar. De provincie West-Vlaanderen heeft de meeste aanmeldingen. De CIG maken ook een dossier aan voor het ongeboren kind van een moeder in begeleiding. Bij het aanleveren van de cijfergegevens voor het jaarverslag, zijn er 17 dossiers voor ongeboren kinderen. Zodra het kind geboren is en een rijkregisternummer krijgt, komt het in de tabel van de 0-5 jarigen. De minderjarigen die instromen in het rechtstreeks toegankelijke aanbod van de CIG, worden aangemeld voor een crisisaanbod of contextbegeleiding. De tabel betreft het aantal unieke cliënten van de opgestarte dossiers.

Tabel: Overzicht aanmelders voor CIG – RTJ (aanmelder) (opgestarte dossiers)
Aanmelder Aantal %
Jongere/gezin 17 13%
Pleeggezin 1 1%
VAPH 1 1%
K&G 18 14%
CGG 3 2%
CAW 11 8%
CLB 5 4%
VK 3 2%
School   0%
Politie/parket 1 1%
Huisarts 0 0%
Prive-psycholoog/psychiater 2 2%
Crisismeldpunt 21 16%
Jeugdrechtbank 5 4%
Andere 28 21%
Totaal 132 100%

Ruim 20% van de rechtstreekse aanmelders zijn ‘andere’ (bv. een ziekenhuis of OCMW). 16% van de aanmeldingen komt van het crisismeldpunt. De tabel betreft het aantal opgestarte dossiers.

Tabel: Begeleidingsduur in CIG – RTJ (aanmelder) (van afgesloten dossiers)
Begeleidingsduur (dagen) Aantal %
0-28 26 22%
29-60 6 5%
61-120 10 9%
121-180 8 7%
181-365 26 22%
366-730 31 27%
>730 9 8%

De gemiddelde begeleidingsduur voor rechtstreeks aanmeldingen bij een CIG bedraagt 274 dagen:

  • 27% kent een begeleidingsduur tussen 1 en 2 jaar;
  • 22% kent een begeleidingsduur van minder dan 29 dagen, voornamelijk crisisdossiers;
  • 22% kent een begeleidingsduur tussen 6 maanden en een jaar.
Tabel: Vervolghulpverlening aangewezen bij CIG – RTJ (aanmelder) (afgesloten dossiers) en realisatie
  Wel gerealiseerd Niet gerealiseerd Deels gerealiseerd Op wachtlijst Onbekend Niet van toepassing Totaal %
Onbekend         0   0 0,0
Geen vervolghulp            19 19 13,1
JWZ 14 9 17 2 5   47 32,4
Buiten JWZ 36 8 27 5 3   79 54,5
Totaal 50 17 44 7 8 19 145 100,0
% 34,5 11,7 30,3 4,8 5,5 13,1 100,0  

De som van alle cijfers geeft niet het aantal afgesloten dossiers, daar voor een jongere zowel vervolghulp binnen als buiten Jongerenwelzijn kan aangeduid zijn (voor de categorie "buiten JWZ" kunnen meerdere categorieën aangeduid worden).

Tabel: Verdeling vervolghulpverlening buiten Jongerenwelzijn, per sector, CIG
Sector %
VAPH 4,0
GGZ 7,1
K&G 12,1
AWW 1,0
CLB 6,1
Andere 19,2
Onbekend 50,5
Totaal 100,0

Bij het afsluiten van dossiers binnen een CIG met rechtstreekse aanmelding, wordt vooral vervolghulp buiten Jongerenwelzijn als wenselijk geregistreerd, in het bijzonder hulp buiten integrale jeugdhulp (‘andere’) en van Kind en Gezin. Er kunnen meerdere antwoordmogelijkheden per dossier geregistreerd worden.

Daarnaast wordt geregistreerd of de vervolghulp al of niet gerealiseerd is, deels gerealiseerd is (dan zijn meerdere antwoordmogelijkheden aangeduid, en is een deel wel en een deel niet gerealiseerd), of wanneer de minderjarige op de wachtlijst terecht komt van de nodige vervolghulp.

Voor deze dossiers is de vervolghulp binnen Jongerenwelzijn voor een klein derde en de vervolghulp buiten Jongerenwelzijn voor iets minder dan de helft effectief gerealiseerd.

In de loop van 2015 wordt voor dossiers met een specifieke aanmelding - zoals crisis - de registratie van de vervolghulpverlening optioneel, om de registratielast voor deze dossiers te beperken. Dit maakt dat een deel van de registratie onbekend is.

Herstelgerichte en constructieve afhandeling

Tabel: Overzicht herstelgerichte en constructieve afhandeling
                      Gemeenschaps-diensten Leerproject 10u Leerproject 20u Leerproject 40u Herstel-bemiddeling Hergo Totaal
2013 515   608 39 2.847 91 4.100
2014 419   532 107 2.959 60 4.077
2015 439 4 565 104 3.133 61 4.247

De diensten herstelgerichte en constructieve afhandeling hanteren vier afhandelingsvormen:

  • Gemeenschapsdienst is een maatregel uitgesproken door de jeugdrechter waarbij de jongere een bepaald aantal uren moet werken. Gemeenschapsdienst wordt omschreven als een prestatie van opvoedkundige aard en algemeen nut en is doorgaans beter bekend als werkstraf.
  • Een leerproject geeft een minderjarige de kans om over zijn gedrag, de feiten en de gevolgen na te denken. Er wordt stilgestaan bij zijn voorgeschiedenis en toekomstperspectieven.
  • Herstelbemiddeling is een voorstel van het Parket of de jeugdrechtbank aan de minderjarige dader (en zijn ouders) en het slachtoffer van een misdrijf. Met ondersteuning van een neutrale bemiddelaar wordt gezocht naar een mogelijke vorm van herstel en/of van communicatie omtrent de feiten en gevolgen ervan.
  • Herstelgericht groepsoverleg (Hergo) is een kringgesprek waarbij de jongere - samen met zijn ouders, enkele mensen uit zijn omgeving en het slachtoffer - op zoek gaat naar mogelijkheden om zijn fout zo goed mogelijk te herstellen. Hergo is een voorstel van de jeugdrechter of de jeugdrechtbank.

Het totaal aantal aangemelde herstelgerichte en constructieve afhandelingen is toegenomen in 2015. Er zijn vooral meer aanmeldingen voor herstelbemiddeling.