Toggle navigation

Voorwoord

Sinds de hervorming van het jeugdhulplandschap in 2014, wordt elk jaar een jaarverslag jeugdhulp gepubliceerd door het agentschap Jongerenwelzijn. Na enkele jaren vast te houden aan eenzelfde opmaak en format, is geopteerd voor een andere aanpak.

In 2018 is een onderzoek opgestart in functie van de noden van het jaarverslag. Daaruit kwamen verschillende zaken naar voor. Zo zou het jaarverslag in de eerste plaats ingekort worden, zonder in te boeten aan kwaliteit. Het vroegere format was een aaneenschakeling van tabellen en tekst, waarbij het soms moeilijk was om het verslag als geheel door te nemen. Een tweede werkpunt is het jaarverslag schetsen vanuit een intersectorale visie.

Aangezien dit jaar als een overgangsjaar wordt gezien, geldt het jaarverslag jeugdhulp 2018 als een eerste aanzet naar het nieuwe format.

Op de site van het Jaarverslag Jeugdhulp 2018 zijn meer cijfers in tabelvorm te vinden, waaronder de regionale cijfergegevens.

Wegen doorheen het nieuwe jeugdhulplandschap

Jeugdhulplandschap
Figuur 1: Schema integrale jeugdhulp

De landkaart van het nieuwe jeugdhulplandschap is er een met veel vakjes en pijltjes, voorgesteld in bovenstaande figuur. Hieronder wordt in vogelvlucht door deze nieuwe kaart gegaan.

1. Rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (RTJ)

De start van een reis in het jeugdhulplandschap is een vraag naar hulp door een jongere en/of zijn omgeving. Deze hulpvraag komt veelal terecht in het veld van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (RTJ). RTJ omvat verschillende hulpvormen. Typisch aan al deze hulpvormen is dat kinderen en jongeren er rechtstreeks een beroep op kunnen doen. Binnen RTJ zijn drie grote luiken te onderscheiden: brede instap, probleemgebonden hulp en multidisciplinaire teams.

Brede instap

Kinderen, jongeren of ouders weten niet altijd waar aan te kloppen met een hulpvraag. Daarom organiseert de RTJ zich via een brede instap. Deze wordt georganiseerd door de diensten van drie sectoren: centra voor leerlingenbegeleiding, Kind en Gezin en centra voor algemeen welzijnswerk.

Minderjarigen kunnen bij de brede instap terecht met al hun hulpvragen over jeugdhulp, los van de kenmerken van hun probleem.

Hulpverleners in de brede instap bieden een laagdrempelig aanbod voor kinderen en jongeren, hun ouders, personen uit hun leefomgeving en - in voorkomend geval - hun opvoedingsverantwoordelijken, met eender welke hulpvraag. Dit met het oog op:

  • het verstrekken van informatie,
  • het verhelderen van de vraag,
  • het versterken van de eigen krachten,
  • het zorgvuldig verwijzen naar het meest passende antwoord, zowel in de jeugdhulp als daarbuiten.

Er zijn dus 4 mogelijke acties: onthaal, informatie geven, vraagverheldering en verwijzing. De bedoeling is dat de brede instap zorgt dat kinderen of jongeren in zo min mogelijk stappen bij de juiste hulp terechtkomen.

Probleemgebonden hulp

Wanneer er nood is aan een specifiek aanbod gericht op een bepaalde problematiek, dan kan het kind of de jongere terecht in de probleemgebonden hulp. Voorbeelden van diensten die probleemgebonden hulp aanbieden, zijn centra geestelijke gezondheidszorg (CGG), centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning (CKG), vluchthuizen (AWW) en diensten RTH (VAPH). De minderjarige komt hier terecht op verwijzing van de brede instap, maar kan er ook zelf vrij binnenstappen.

Multidisciplinair team

Indien geen gepaste hulp in de RTJ aanwezig is, er meer ingrijpende vormen van hulp aangewezen zijn of bijkomende diagnostiek nodig is, kunnen kinderen of jongeren terecht bij een multidisciplinair team (MDT). Dat zal diagnostiek aanleveren, via onderzoek de problemen verder beschrijven en een voorstel van hulp doen ten aanzien van de toegangspoort.

Voorzieningen binnen en buiten het toepassingsgebied van IJH kunnen zich laten erkennen als MDT:

  • binnen RTJ (centrum voor leerlingenbegeleiding CLB, centrum voor ontwikkelingsstoornissen COS, centrum voor algemeen welzijnswerk CAW, centrum geestelijke gezondheidszorg CGG);
  • binnen NRTJ (onthaal-, oriëntatie- en observatiecentrum OOOC, observatie- en behandelingscentrum OBC);
  • buiten het toepassingsgebied van IJH (kinderpsychiatrische diensten, revalidatiecentra).

De gemandateerde voorzieningen (ondersteuningscentrum jeugdzorg OCJ en vertrouwenscentrum kindermishandeling VK) en de sociale dienst jeugdrechtbank hebben automatisch een erkenning MDT.

Niet elk MDT kan alle types van diagnostiek aanbieden. Het moet daarom steeds zijn expertise en specialisatie (bv. leeftijdsgroep, problematiek) bekend maken.

2. Jeugdhulp buiten toepassingsgebied IJH

Niet alle jeugdhulp waar jongeren en hun ouders terecht kunnen, valt onder integrale jeugdhulp. Zo zijn er nog de kinder- en jeugdpsychiatrie, drughulp, mutualiteiten, paramedici, OCMW, huisartsen, privépsycholoog ...

3. Crisisjeugdhulp, continuïteit en klachtenlijn

Crisisjeugdhulp, continuïteit en de klachtenlijn staan als een ondersteunende balk getekend in figuur 1. Dit wil zeggen dat ze inzetbaar zijn in elke fase van en op elke plaats van het hulpverleningsproces , ongeacht de aangeboden hulp.

Crisisjeugdhulp is de onmiddellijke en aangepaste actie bij een crisissituatie. Crisisjeugdhulpverlening verloopt via het crisismeldpunt, dat consult, crisisinterventie, crisisbegeleiding en crisisopvang kan aanbieden.

De teams continuïteit organiseren bemiddeling, cliëntoverleg en ondersteuningstrajecten voor jongvolwassenen met rondetafels. Ze zijn aanspreekpunt voor advies en oriëntering in de (rechtstreeks toegankelijke) jeugdhulp in hun regio.

Bemiddeling in de jeugdhulp kan ingeschakeld worden wanneer de hulpverlening vastloopt door een conflict. Een jongere, zijn ouders en de hulpverleners raken het bijvoorbeeld niet eens over wat er moet gebeuren. Of er is een conflict tussen een jongere en zijn ouders, zodat geen gesprek meer mogelijk lijkt. Om breuken in de hulpverlening te vermijden, kunnen jongeren, hun vertrouwenspersoon, ouders en hulpverleners gratis een beroep doen op een bemiddelaar. Die is zelf niet bij de hulpverlening betrokken, maar kan wel helpen om de knoop te ontwarren en een begin van oplossing te zoeken. Bemiddeling gebeurt op vrijwillige en vertrouwelijke basis. Bemiddeling is verplicht wanneer een minderjarige en hulpverlener het niet eens geraken over een aanvraag naar de toegangspoort of bij een eenzijdige stopzetting van de hulpverlening.

Het gebeurt steeds vaker dat meerdere vormen van hulp gecombineerd en in samenhang worden ingezet om een antwoord te bieden op de noden en vragen van ouders, kinderen en jongeren. Want het gaat vaak niet alleen over opgroeien, maar ook over wonen, inkomen, school, pedagogische zorg, psychologische bijstand ... Complexe vragen en problemen overstijgen dan de deskundigheid of de handelingsruimte van één hulpverlener. Soms geraakt hierdoor de hulp niet opgestart of is het overzicht in een lopend traject zoek. Het cliëntoverleg brengt iedereen dan bij elkaar. Samen wordt gezocht wat de beste hulp is voor het gezin of de jongere. Dit gratis overleg kan door iedereen aangevraagd worden, ook door de ouders, de jongere zelf of zijn vertrouwenspersoon en door jongvolwassenen tot 25 jaar. Het overleg vindt enkel plaats met toestemming van ouders en jongeren. Een onafhankelijk voorzitter leidt het gesprek in goede banen en zorgt ervoor dat alle afspraken concreet vertaald worden in een werkplan. Een hulpcoördinator volgt de uitvoering van het werkplan op.

Het team continuïteit ondersteunt jongvolwassenen voor wie de overgang van jeugdhulp naar zelfstandig leven als zorgwekkend of complex wordt beschouwd, en bij wie er geen (evidente) link meer is met een hulpaanbod. Uitgangspunt is de samenwerking met de jongere waarin zijn doelen centraal staan. Wat wil hij en hoe wil hij daarbij worden ondersteund? Daartoe worden rondetafelgesprekken georganiseerd, waarbij gepoogd wordt om zowel de informele als de professionele context rond de jongere opnieuw te engageren en in te zetten op herstel van deze banden.

4. Aanmelding bij de intersectorale toegangspoort

Toegangspoort

De intersectorale toegangspoort regelt de toegang tot ingrijpende hulp, d.w.z. de niet-rechtstreeks toegankelijke hulp (NRTJ).

De aanmelding bij de toegangspoort kan gebeuren door elke jeugdhulpverlener, ook buiten het gebied van IJH:

  • hulpverleners binnen RTJ en NRTJ kunnen als erkend MDT aanmelden of ‘gewoon’ aanmelden;
  • hulpverleners buiten het toepassingsgebied van IJH (bv. huisartsen, drughulpverlening, logopedisten) kunnen oordelen dat NRTJ aangewezen is en eveneens ‘gewoon’ aanmelden bij de toegangspoort.
  • diensten buiten het toepassingsgebied van IJH kunnen erkend worden als MDT (bv. kinderpsychiatrische dienst, revalidatiecentra), en dan aanmelden bij de toegangspoort als MDT.

Minderjarigen kunnen niet of slechts uitzonderlijk zelf de stap zetten naar de toegangspoort. Dit moet steeds samen met een hulpverlener gebeuren. Door steeds een hulpverlener te betrekken bij een aanvraag, wil men de garantie inbouwen dat hulpvragen die bij de toegangspoort terechtkomen, zorgvuldig overwogen zijn en dat dus goed is nagedacht over andere pistes en over de mogelijkheid om via de context van de minderjarige en/of minder ingrijpende hulp tot een oplossing te komen.

Contactpersoon-aanmelder

Als een kind of jongere een ondersteuningsnood heeft naar NRTJ, vult de contactpersoon-aanmelder samen met hem een A-document in. Het A-document gaat elektronisch naar het team indicatiesteling van de regio waar de minderjarige is gedomicilieerd.

De contactpersoon-aanmelder is voor alle partijen de aanspreekpersoon van aanvraag tot en met opstart van de hulp, en dus verantwoordelijk voor hulpcontinuïteit.

5. Een toegangspoort met twee teams

In elke provincie is er een toegangspoort die telkens bestaat uit twee teams: het team indicatiestelling en het team jeugdhulpregie (zie figuur 1). In het Brussel-Hoofdstedelijk-Gewest is er geen toegangspoort. Deze valt onder de provincie Vlaams-Brabant. Sinds kort zijn de teams binnen de toegangspoort uitgebreid met een team continuïteit.

Team indicatiestelling

Wanneer aanmelders hun A-document elektronisch bezorgen aan de toegangspoort, komt het terecht bij een dossierverantwoordelijke van het team indicatiestelling. Deze screent de aanvraag (bv. is de hulpvraag duidelijk omschreven?) en informeert de jongere en contactpersoon-aanmelder of de aanvraag ontvankelijk is.

De dossierverantwoordelijke bepaalt of de indicatiestelling kan gebeuren zonder bijkomend overleg met het voltallige team indicatiestelling (de consensusdossiers) of dat er een bespreking met het voltallige team indicatiestelling nodig is (de besprekingsdossiers). Een voorbeeld van een besprekingsdossier is wanneer de minderjarige vraagt om gehoord te worden door het team indicatiestelling. Behalve vragen voor specifieke actie (SA), individuele materiële bijstand (IMB) en persoonlijke-assistentiebudget (PAB) worden MDT-dossiers algemeen als consensusdossiers beschouwd.

Het team indicatiestelling zal via een verslag het soort hulp voorstellen, uitgedrukt in typemodules. Men werkt dus een voorstel tot hulp uit op basis van de noden, zonder rekening te houden met het feit of deze hulp ook effectief beschikbaar is.

Team jeugdhulpregie

Het team jeugdhulpregie gaat aan de slag om de hulp die voorgesteld wordt door het team indicatiestelling, effectief te realiseren. Daarbij zet de dossierverantwoordelijke de typemodules om naar modules en gaat hij na of het hulpaanbod meteen kan worden uitgevoerd.

Een contactpersoon-aanmelder kan een vraag tot prioritering stellen met behulp van een checklist, op basis van Vlaamse prioriteitscriteria. Jeugdhulpregie zal deze vraag beoordelen en afwegen tegen een quotum. Hij doet dit op basis van de aangegeven urgentie in het A-document en op basis van Vlaamse en regionale prioriteitscriteria.

Aanvragen met een typemodule handicap zullen door het team jeugdhulpregie samen met de Intersectorale Regionale Prioriteitencommissie (IRPC) worden behandeld. De IRPC is een commissie van gebruikers en voorzieningen die kijkt welke vragen het meest urgent zijn. Deze toetsing met IRPC is nodig vanuit de schaarste van het aanbod van het VAPH.

Het team jeugdhulpregie informeert aanmelder en minderjarige over het mogelijke aanbod en eventuele wachttijden. De jongere kan zijn voorkeur geven voor een bepaalde hulpaanbieder.

Duurt het ongewoon lang vooraleer een voorziening de hulpvraag opneemt, dan zullen de jeugdhulpaanbieders samengeroepen worden voor een bespreking en wordt er bemiddeld. Men noemt dit ‘escalatie bespreking’. Als dit geen resultaat oplevert, kan de jeugdhulpregisseur een rondetafel organiseren met alle mogelijke aanbieders en een toewijzing verplichten, eventueel met steun van een extra budget.

6. Niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp

Als de niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp (NRTJ) opstart, stopt de rol van de toegangspoort. Het kan wel gebeuren dat er vanuit de NRTJ-diensten een vraag naar de toegangspoort vertrekt (bv. in functie van herindicatiestelling, hernieuwing van jeugdhulpbeslissing).

7. Gemandateerde voorzieningen

De gemandateerde voorzieningen regelen de toegang tot de aanklampende hulp, d.w.z. hulp die te maken heeft met problemen rond verontrusting en vrijwilligheid.

Als hulpverleners werken in een situatie die mogelijk verontrustend is, dan wordt van hen verwacht zich eerst af te vragen wat ze zelf kunnen doen (bv. om de situatie beter te kunnen inschatten, om hierover zelf het gesprek met de minderjarige aan te gaan of in team te bespreken). Als hij, noch zijn team, noch zijn organisatie een antwoord vinden op de verontrusting, kunnen ze een beroep doen op de gemandateerde voorzieningen.

Er zijn twee gemandateerde voorzieningen (zie figuur 1): het ondersteuningscentrum jeugdzorg (OCJ) en het vertrouwenscentrum kindermishandeling (VK). Het OCJ en VK nemen dezelfde taken op in verband met maatschappelijke noodzaak, maar het VK blijft zich daarnaast specifiek profileren op hun bestaande expertise met betrekking tot kindermishandeling.

De opdracht van gemandateerde voorzieningen bestaat uit:

  1. ondersteuning van hulpverleners en voorzieningen in het omgaan met verontrusting;
  2. onderzoeken of de hulp maatschappelijk noodzakelijk is na aanmelding door de hulpverlener of kennisgeving via het Parket;
  3. opvolgen van de hulp die als maatschappelijk noodzakelijk is beoordeeld (in verschillende gradaties van aanklampendheid);
  4. doorverwijzing naar het Parket wanneer geen vrijwilligheid mogelijk is (d.w.z. bij weigering tot medewerking van de minderjarige).

Als uit het onderzoek naar maatschappelijke noodzaak blijkt dat NRTJ nodig is, dan kan het OCJ of VK samen met de hulpverlener een aanvraag doen bij de toegangspoort.

8. Gerechtelijke jeugdhulp

Een gemandateerde voorziening kan in twee situaties doorverwijzen naar het jeugdparket:

  • als de hulp maatschappelijk noodzakelijk wordt geacht en als na een gesprek met de minderjarige en zijn ouders/opvoedingsverantwoordelijken de gepaste jeugdhulpverlening niet wordt aanvaard;
  • als er weigering is tot meewerken aan het onderzoek naar maatschappelijke noodzaak.

Situaties kunnen ook bij het Parket terecht komen via de politie.

Het Parket kan de jeugdrechter vorderen, die op zijn beurt een vonnis kan uitspreken. Voor de uitvoering van het vonnis werkt de sociale dienst jeugdrechtbank (SDJ) - volgens de kwaliteitseisen van een MDT - rechtstreeks samen met de jeugdhulpregie (zie figuur 1). Het is de sociale dienst jeugdrechtbank (SDJ), en dus niet het team indicatiestelling, die dan een indicatiestellingsverslag opstelt.

 Een jeugdrechter kan ook beslissen om een jongere die een jeugddelict heeft gepleegd of die in een zwaar verontrustende leefsituatie verkeert, te plaatsen in een gemeenschapsinstelling. Het centraal informatie– en aanmeldpunt (CAP) regelt daartoe de instroom en helpt jeugdrechters en consulenten om snel geschikte opvang te vinden, rekening houdend met de beschikbare plaatsen.

Vanaf 1 september 2019 treedt tevens het nieuw jeugddelinquentiedecreet gefaseerd in werking. 

Recente evoluties binnen de jeugdhulp

Het jeugdhulplandschap is niet statisch, maar in een constante staat van verandering.

Eén gezin-één plan

Kinderen, jongeren en hun gezinnen maken steeds meer gebruik van de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. Ook blijken de crisisnetwerken door de zeer herkenbare en bereikbare meldpunten een sterke aantrekking te vormen voor vragen naar directe ondersteuning. Verder is het zeer helder dat ook de wachttijden binnen de jeugdhulp moeten worden aangepakt.

Op 20 juli 2017 werd daarom de oproep ‘Meer capaciteit en samenwerking in de rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp’ verstuurd. Deze wil een antwoord bieden door in Vlaanderen 15 regionaal afgebakende samenwerkingsverbanden elk tot 1 miljoen euro recurrente uitbreidingsmiddelen te verschaffen, voor de versterking van het rechtstreeks toegankelijk jeugdhulpaanbod.

Voorwaarden zijn:

  • alle organisaties werkzaam in het afgebakende gebied (van de brede instap tot aanbieders van de meer probleemgebonden rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp) maken werkafspraken die een snelle opvolging van vragen garandeert (binnen de maand),
  • er wordt één plan per gezin opgemaakt,
  • er wordt een eerstelijnspsychologische functie aangeboden,
  • er is 1 aanspreekpunt voor het gezin.

Sinds het voorjaar 2019 zijn alle 15 samenwerkingsverbanden operationeel. De omslag naar een snellere, preventieve en meer samenhangende jeugdhulp is hiermee ingezet.

Aandacht voor de noden van jonge kinderen

In 2018 zijn de lokale teams van Kind en Gezin begonnen met een prenataal startgesprek. Waar ouders vroeger een eerste contact met de dienstverlening van Kind en Gezin hadden tijdens een verblijf in de kraamkliniek of bij een kennismakingsbezoek aan huis kort na de geboorte, is er nu een startgesprek in vooral het laatste trimester van de zwangerschap.

Dat startgesprek biedt mogelijkheden om in de prenatale periode stil te staan bij het aankomende ouderschap (voor een eerste of volgende kindje) en om de verschillende luiken in de dienstverlening van Kind en Gezin toe te lichten. Er kan omkadering en ondersteuning worden geboden, in samenwerking met partners, op maat van de gezinssituatie.

De vele organisaties en professionelen die werkzaam zijn in de pre- en perinatale periode, waaronder Kind en Gezin, bouwen in heel wat gebieden hun structurele samenwerking verder uit via pre- en perinatale netwerken. Deze netwerken varen veelal onder de vlag van een Huis van het Kind. Dit zijn netwerkorganisaties actief voor/rond de levensperiode van -9 maanden tot 25 jaar. Eind 2018 is omzeggens in alle gemeenten in Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een Huis van het Kind (soms intergemeentelijk). De Huizen van het Kind spelen bv. een rol in het bereiken van gezinnen omtrent het Groeipakket en in de proeftuinen buurtgerichte netwerken, naast de zeer uiteenlopende andere acties die ze opzetten of waarbij ze betrokken zijn. Onder meer in het kader van doorgedreven samenwerking op het terrein, zijn de lokale teams Kind en Gezin tegen begin 2019 geëvolueerd naar multidisciplinaire, zelforganiserende teams die qua gebiedsafbakening zijn afgestemd op de eerstelijnszones.

Intensere samenwerking is tevens gestimuleerd door de rondzendbrief Zorggarantie bij uithuisplaatsing van jonge kinderen in Vlaanderen, die de zeer verontrustende situaties van 0-3- jarige kinderen centraal stelt. Gedragen vanuit een zorggarantienetwerk en -planning en vertrekkende van wat reguliere hulp kan bieden, kunnen casusgebonden middelen worden ingezet om tot een duurzaam perspectief te komen voor jonge kinderen bij wie uithuisplaatsing (mogelijk) aan de orde is.

Voor professionelen die niet rechtstreeks met kinderen werken maar wel met ouders of nabije zorgfiguren (vb. volwassenen geestelijke gezondheidszorg, medewerkers van justitie en politie, spoed- en huisartsen ...) is de Kindreflex ontwikkeld. De uitrol van dit waakzaamheidsinstrument - aanvankelijk in de geestelijke gezondheidszorg - wordt begeleid door het Vlaamse expertisecentrum kindermishandeling (partnerorganisatie van de vertrouwenscentra kindermishandeling).

Jongvolwassenen alert begeleiden

In 2018 is vanuit verschillende sectoren ingezet op continuïteit van de hulpverlening na de minderjarigheid. Zo zijn eerste stappen gezet in het creëren van kleinschalige woonvormen voor jongvolwassenen, gaan de projecten aangepast wonen voor jongeren met psychische problemen van start en lanceren de CAW een typemodule voor de begeleiding van jeugdhulpverlaters.

Een nieuw kader voor jeugddelinquentie

Er is een nieuw regelgevend kader uitgewerkt voor minderjarigen die een jeugddelict plegen of hiervan worden verdacht. Herstel en bemiddeling zijn centrale uitgangspunten, met ook aandacht voor de positie van het slachtoffer. Jongeren die een delict plegen, worden meer op hun verantwoordelijkheid gewezen, maar krijgen ook meer kansen om het goed te maken.

Met uitzondering van de time-outs, is een plaatsing in een gemeenschapsinstelling voorbehouden voor jongeren die een delict plegen. Het decreet wordt gefaseerd ingevoerd vanaf september 2019.

Daarbij wordt stelselmatig voorzien in de nodige infrastructuur en exploitatie voor flankerend aanbod in de private voorzieningen binnen de jeugdhulp.

Gesloten opvang

De gemeenschapsinstellingen maken een grote transitie door waarbij de nieuwe opdrachten uit het decreet Jeugddelinquentierecht een duidelijk kader krijgen. Er wordt  gewerkt aan de finalisering van een behandelingskader met forensische én welzijnsbevorderende basis. Dat wordt omgezet in duidelijke trajecten binnen geslotenheid, die starten met een sterke diagnostiek en verkenning van de problematiek mét de jongere en zijn netwerk.

Binnen elke campus wordt gewerkt aan een veilig leef-, leer- en werkklimaat voor jongeren en personeel waarbij de positieve ontwikkelingsmogelijkheden van de jongeren centraal staan.

In het kader van de aanbevelingen van de maandcommissarissen worden de volgende jaren structurele verbouwing- en verbeteringswerken voorzien, waarbij cellen worden omgebouwd tot afzonderingskamers met een huiselijker inrichting en een minder beperkend regime. Op pedagogisch vlak wordt ingezet op het waarborgen van een positief leefklimaat, onder meer via:

  • regelmatige tevredenheidsmetingen bij jongeren, ouders en personeel,
  • een evenwichtig en doordacht sanctiebeleid,
  • het versterken van de autonomie en participatiemogelijkheden van jongeren en hun ouders.

Actieplan 2.0

Ook de uitvoering van het Actieplan Jeugdhulp 2.0 krijgt verder vorm, met als cruciale elementen:

Crisishulp

Het Rekenhof formuleert aanbevelingen voor de crisisjeugdhulp op 3 actielijnen: registratie van crisisjeugdhulp, werking van de crisismeldpunten en versterking van het crisisaanbod.

De basis voor registratie is gelegd door de verankering in INSISTO. Voor de meldpunten is de tijdelijke versterking met 9 VTE doorgetrokken. Voor het aanbod crisishulp is een aanzet gedaan in 2018 voor een intersectorale regionale programmatienorm.

Krachtgericht werken en positieve heroriëntering

Er is een duidelijke opdracht aan SAM, Steunpunt mens en samenleving, om de sectoren te ondersteunen bij het implementeren van krachtgerichte methodieken via acties ten aanzien van praktijkwerkers en via de ontsluiting van bestaande initiatieven op kennisplein.be. Daarnaast worden de impact en de resultaten van specifieke beleidsinitiatieven gemonitord, zoals de uitrol van positieve heroriëntering en eigenkrachtconferenties, en de recente structurele uitbreiding van burgerinitiatieven.

Pleegzorg

Na een evaluatie van de pleegzorgregelgeving en de decreetwijziging die hieruit voortvloeide, is het uitvoeringsbesluit gewijzigd om de pleegzorg in Vlaanderen en Brussel verder te optimaliseren. Op basis van de audit over de werking van de diensten voor pleegzorg, zijn gerichte maatregelen genomen ten aanzien van de diensten. 

Er wordt een betere samenwerking verwacht tussen de diensten voor pleegzorg voor het gezamenlijk uitwerken van instrumenten en procedures (selectie en vorming van pleeggezinnen), ook voor behandelingspleegzorg en voor de pleegzorg voor personen met een handicap. En een betere samenwerking met andere hulpaanbieders wordt gestimuleerd, in het bijzonder voor de realisatie van de zorggarantie voor jonge kinderen.

Rechten en participatie

Er wordt verder ingezet op de bekendmaking van het recht op bijstand door een vertrouwenspersoon.

De inspecties op de toepassing van vrijheidbeperkende maatregelen in de kinderpsychiatrie en jeugdhulp vormen aanleiding voor de opstart van een intersectorale administratieve werkgroep. Deze werkgroep wil, in overleg met het werkveld, de aanzet geven tot een intersectoraal actieplan vrijheidbeperkende maatregelen.

De erkenning en subsidiëring van de cliëntorganisaties jeugdhulp wordt voortaan bij decreet geregeld. Dit zorgt voor een stevige verankering van hun positie en dat maakt ook de uitbouw van een visie en werking op langere termijn mogelijk. Meer nog dan voorheen zullen deze organisaties werken in een intersectoraal perspectief. De cliëntorganisaties nemen het initiatief tot en werken mee aan de ontwikkeling van het onafhankelijk cliëntenforum.

Continuïteit en een gestroomlijnde niet-rechtstreeks toegankelijke hulp

De verbetering van continuïteit in de jeugdhulp blijft een belangrijk aandachtspunt in het beleid. Met de inkanteling van het personeel uit de provincies zijn de teams continuïteit in de regionale afdelingen echt van start gegaan. De verdere uitbouw van het regionale info- en aanspreekpunt komt op kruissnelheid in al zijn functies: advies en oriëntatie, cliëntoverleg en bemiddeling en rondetafels voor jongvolwassenen in complexe situaties.

Het volledige regionale hulpaanbod, relevant voor kinderen, jongeren en jongvolwassenen, is in kaart gebracht en ontsloten. Ook het brede aanbod van krachtgericht werken en netwerkstrategieën wordt meegenomen.

Met het residentieel aanbod is een regionaal continuïteitspact afgesloten dat in werking treedt bij dreigende stopzettingen van hulp. Het protocol dat deze afspraken vastlegt, bevat zowel preventieve maatregelen om stopzettingen te voorkomen, o.a. de inzet van cliëntoverleg of bemiddeling in de jeugdhulp, als curatieve maatregelen.

Verontrusting

In 2018 zet de afdeling Ondersteuningscentra en sociale diensten jeugdrechtbank (OSD) volop in op de verdere integratie van Signs of Safety in haar werking om zo te streven naar een kracht- en oplossingsgerichte benadering van de jeugdbescherming. Naast continue vorming, intervisie enz. is stapsgewijs deze benaderingswijze in de werkprocessen verankerd.

Om jeugdhulpaanbieders nog beter te ondersteunen in het omgaan met verontrusting, start de afdeling OSD in maart 2018 met een experiment inzake outreachend consult. Daarbij wordt de consulttaak van het ondersteuningscentrum jeugdzorg uitgebreid naar een nog meer intensieve ondersteuning van het werkveld. Consultgevers gaan ter plaatse en trachten samen de verontrusting helder te krijgen.

Niet-begeleide minderjarigen

De instroom van kwetsbare niet-begeleide minderjarige vreemdelingen blijft hoog. De initiatieven die naar aanleiding van de vluchtelingencrisis in 2017 zijn genomen, worden verder gezet: de residentiële buffercapaciteit, het aanbod contextbegeleiding in functie van autonoom wonen en de residentiële leefgroepen in cofinanciering met Fedasil. Hiervoor is een conventie van onbepaalde duur afgesloten met Fedasil.

Geactualiseerd actieplan tienerpooiers

Tweeënhalf jaar na het lanceren van het actieplan voor een betere bescherming van slachtoffers van tienerpooiers worden de acties die toen uitgeschreven zijn en in de tussentijd zijn uitgewerkt, kritisch geëvalueerd en geactualiseerd.

Centraal in deze actualisering staat de verdere uitbouw van het aanbod:

  • door de introductie van een objectiverend kwaliteitskader dat standaarden aanlevert inzake de aanpak van de slachtoffers,
  • door de ontwikkeling van een hulpprogramma - samen met experten - dat de verschillende opvang- en begeleidingsinitiatieven benoemt (beveiliging, begeleiding, behandeling, medische zorg, justitiële component, diagnostiek en traumaverwerking) zodat een aanbod op maat kan worden uitgetekend en de centrale opvolging van de hulpverleningstrajecten van de slachtoffers kan worden voorzien.

Gezien de complexiteit van de tienerpooierproblematiek, en de impact hiervan op verschillende domeinen, is een goed afgestemde aanpak in nauwe samenwerking tussen de verschillende partners (welzijn, justitie …) onontbeerlijk. Daarom worden de verschillende rollen van en de mogelijke verbindingen tussen deze partners in een helder draaiboek geconcretiseerd.

CLB

Op 1 september 2018 is het decreet van 27 april 2018 betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding in werking getreden.

Alle leerlingen hebben recht op kwaliteitsvolle leerlingenbegeleiding met als doel:

  • het verhogen van de totale ontwikkeling van de leerlingen en hun welbevinden,
  • het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten,
  • het creëren van meer gelijke onderwijskansen.

De hervorming heeft de ambitie om een aantal bestaande knelpunten weg te werken door de rollen en taken van de verschillende actoren in de leerlingenbegeleiding te verscherpen en de werking van de leerlingenbegeleiding te optimaliseren.

Agentschap Opgroeien

Tot slot is in 2018 het fusietraject ingezet tussen Kind en Gezin en Jongerenwelzijn tot het eengemaakte agentschap Opgroeien. Dit om de totaliteit van de dienst- en hulpverlening aan kinderen, jongeren en hun gezinnen maximaal te omvatten: van het Groeipakket, de preventieve gezinsondersteuning, de kinderopvang, over pleegzorg en alle vormen van ondersteuning en jeugdhulp, inclusief het aanbod voor minderjarige en jongvolwassen personen met een handicap tot het jeugddelinquentierecht.

Kenmerken van de gebruikers binnen de sectoren van de jeugdhulp

Binnen het tweede luik wordt dieper ingegaan op het cijfermateriaal van het jaar 2018.

Per rubriek zijn er vier delen:

  • deel 1 “wie zijn ze?” omvat cijfermateriaal over de socio-demografische achtergrond. Deze info bestaat voornamelijk uit kenmerken met betrekking tot de leeftijd.
  • deel 2 “wat krijgen ze?” gaat dieper in op welke zorg de minderjarige krijgt. Dit gaat vooral over de typemodule waarin het kind of de jongere terecht komt.
  • deel 3 “informatie met betrekking tot wachtenden en wachttijden”: waar mogelijk.
  • deel 4 “capaciteit” geeft aan wat de bezetting is van de sector in kwestie.

Het cijfermateriaal in de teksten heeft betrekking op het jaar 2018, tenzij anders vermeld.